direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Woning - Merkelbeekerstraat 45
Status: ontwerp
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1. Aanleiding

De planontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een vrijstaande woning met buitenruimte (tuin met zwembad) op de gronden plaatselijk bekend Merkelbeekerstraat 45 en kadastraal bekend gemeente Brunssum, sectie D, nummer 4397 (2.575 m2) en nummer 4641 (41 m2). Hierna de project locatie (zie figuur 1.1.).

De particuliere initiatiefnemer van de planontwikkeling is eigenaar van de gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0001.png"

Figuur 1.1: project locatie aan de Merkelbeekerstraat (geel gearceerd gebied) tevens besluitgebied

De aangegeven project locatie betreft tevens het zogenaamde besluitgebied waarop de aanvraag omgevingsvergunning in afwijking van het vigerende ruimtelijke plan (bestemmingsplan of beheersverordening) betrekking heeft.

De project locatie is conform de vigerende beheersverordening 'Woongebied 2e herziening (vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 2018-12-11) gelegen in de besluitvlakken 'Wonen- 2', 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)', 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' en 'Luchtvaartverkeerszone - 180 m'.

Omgevingvergunningaanvraag

Door de particuliere initiatiefnemer is bij burgemeester en wethouders van Brunssum een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een vrijstaand woonhuis, het plaatsen van een grondkering of damwand en het aanleggen van een in- of uitrit op het perceel aan de Merkelbeekerstraat 45 in Brunssum (de project locatie).

Bij besluit van 17 april 2020 (het primaire besluit) heeft de gemeente aan initiatiefnemer een omgevingsvergunning verleend. Tegen het besluit is bezwaar en beroep (zaaknummer ROE 20/3449) ingesteld en aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer ROE 21/1362). De voorzieningenrechter heeft bij besluit van 22 juli 2021 het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigt en het primaire besluit herroepen.

Overwegingen besluitvorming

Ter plaatse van de project locatie (het perceel) was ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening (zowel de oorspronkelijke beheersverordening als de herzieningen daarvan) geen woning aanwezig en ook daarvoor is nooit een woning aanwezig geweest op het perceel. De gemeenteraad van Brunssum heeft er bij de vaststelling van de oorspronkelijke beheersverordening (en dus opnieuw bij de herzieningen van die beheersverordening), wat betreft het perceel, kennelijk er voor gekozen de regeling te baseren op het in het voorgaande bestemmingsplan (en de herzieningen daarvan) toegestane gebruik. Het voorgaande bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Woongebieden", vastgesteld op 25 oktober 2000 en goedgekeurd op 12 juni 2001 (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan is daarna tweemaal herzien bij de bestemmingsplannen "Woongebieden 1e herziening", vastgesteld op 16 december 2003 en "Woongebieden 2e herziening", vastgesteld op 9 december 2008.

Op grond van het bestemmingsplan rustte op het perceel de bestemming "Woondoeleinden 1 (bestaand woongebied)". Het bestemmingsplan kende daarnaast de bestemming Woondoeleinden II (nieuwbouw)". Voor het perceel is de bestemming "Woondoeleinden 1" omgezet naar "Wonen - 2". De gemeenteraad is hiertoe overgegaan, omdat op het perceel nooit een woning heeft gestaan en daar dus de verkeerde bestemming op rustte.

Volgens de rechter is het toegestaan een woning te bouwen op de project locatie. De bouw van een woning op de project locatie op basis van de beheersverordening betreft namelijk geen verruiming van de mogelijkheden ten opzichte van het bestaande (planologische) gebruik zoals neergelegd in de 2e herziening van het bestemmingsplan Woongebieden.

De rechter constateert echter wel dat door de beheersverordening (omzetten van bestemming 'Woondoeleinden I' in de bestemming 'Wonen - 2') er ruimere bouwmogelijkheden zijn ontstaan. In de 2e herziening van het bestemmingsplan 'Woongebieden' is de bouw van een gebouw op het perceel mogelijk op het gedeelte van het perceel dat tussen de voorgevelrooilijn en de achtergevelrooilijn is gesitueerd. Dit gedeelte van het perceel is maximaal 15 meter diep. Nu in de beheersverordening geen maximale afstand tussen de voorgevelrooilijn en de achtergevelrooilijn is opgenomen, maakt de beheersverordening de bouw van een woning mogelijk die (veel) dieper op het perceel is gesitueerd. Dit betekent dat de beheersverordening ruimere mogelijkheden biedt dan de voorgaande tweede herziening van het bestemmingsplan 'Woongebieden' en dus ruimere mogelijkheden dan het (planologisch) bestaande gebruik.

De rechter stelt vast dat indien de vergunde woning op de project locatie wordt gerealiseerd, ook gebruik wordt gemaakt van de ruimere mogelijkheden die de beheersverordening biedt. Los van de vraag of het voorportaal al dan niet terecht als bijbehorend bouwwerk is aangemerkt, wordt de woning enkele meters achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd. Daarbij komt dat de totale diepte van de vergunde woning ruim 21 meter is. Dit betekent dat, indien de vergunde woning wordt gerealiseerd, deze voor een (groot) deel op een plek op het perceel wordt gesitueerd waar onder de tweede herziening van het bestemmingsplan 'Woongebieden' geen woning mocht worden gerealiseerd.

De bouw van een woning die ter plaatse planologisch niet (geheel) is toegestaan, kan bovendien niet geacht worden een zodanig beperkte verruiming te zijn dat dit nog als bestaand gebruik kan worden aangemerkt. Aangezien volgens vaste rechtspraak van de Afdeling alleen (in beperkte mate) ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan die ook reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan.

De rechter constateert derhalve dat de gemeenteraad een beheersverordening heeft vastgesteld die ruimere mogelijkheden biedt dan de voorgaande tweede herziening van het bestemmingsplan 'Woongebieden' en dus ruimere mogelijkheden dan het (planologisch) bestaande gebruik.

Nu de beheersverordening ruimere mogelijkheden kent dan het bestaande gebruik, is de beheersverordening in strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op de beheersverordening kan worden gebaseerd, omdat de beheersverordening buiten toepassing moet worden verklaard. Dit betekent eveneens dat de buitenplanse afwijking voor delen van het bouwplan op onjuiste grondslag is gebaseerd, omdat de kruimelgevallenregeling daarvoor dan ontoereikend is.

Aangezien de rechter van oordeel is dat de beheersverordening buiten toepassing moet worden gelaten, is de rechter -in het verlengde daarvan- tevens van oordeel dat het bestreden besluit en het primaire besluit niet in stand kunnen blijven. De grondslag aan het primaire en bestreden besluit valt immers weg en de omgevingsvergunning kan ook niet worden gebaseerd op de tweede herziening van het bestemmingsplan 'Woongebieden', omdat de woning te diep op het perceel is gelegen. Dit betekent dat de gemeente opnieuw moet beslissen op de door initiatiefnemer aangevraagde omgevingsvergunning.

Stilleggen bouwwerkzaamheden

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechter zijn de inmiddels al opgestarte grond- en bouwwerkzaamheden stilgelegd in afwachting van een nieuwe beslissing van burgemeester en wethouders op de omgevingsvergunningaanvraag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0002.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0004.png" 

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0005.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0006.png"

Figuur 1.2: foto's van de grond- en bouwwerkzaamheden

Vervolg

De gemeente Brunssum heeft aan initiatiefnemer medegedeeld bereid te zijn medewerking te verlenen aan het planvoornemen van initiatiefnemer door middel van het doorlopen van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 Wabo. Als onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag dient hiervoor een 'goede ruimtelijke onderbouwing' te worden opgesteld, waarin het planvoornemen en de beleidsmatige en ruimtelijk-stedenbouwkundige afwegingen ten behoeve van de realisatie van de ontwikkeling dienen te zijn verwoord. Het voorliggende document voorziet in deze vereisten.

Documenten bij deze ruimtelijke onderbouwing

Bij deze ruimtelijke onderbouwing behoren de volgende documenten:

  • een verbeelding (een eenvoudige verbeelding met de begrenzing van de project locatie en een koppeling van de ruimtelijke onderbouwing met bijlage(n). De analoge versie van deze verbeelding is opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing;
  • een verkennend bodemonderzoek.

1.2. Ligging project locatie

De project locatie aan de Merkelbeekerstraat 45 ligt in Brunssum ten noordwesten van de historische dorpskern in de wijk 'Brunssum-Noord' en de woonbuurt 'Klingbemden'. De gemeente Brunssum maakt deel uit van het bestuurlijke samenwerkingsverband Parkstad Limburg en ligt in de Oostelijke Mijnstreek.

De Kling is een buurtschap in het uiterste noordwesten van de oorspronkelijke gemeente Brunssum. Het buurtschap De Kling bestaat uit bebouwing aan de Merkelbeekerstraat en Titus Brandsmastraat en grenst aan de oude woonkern van het dorp Merkelbeek, die ten westen van het buurtschap ligt. Het buurtschap ligt aan de Merkelbeekerbeek, die de grens tussen het grondgebied van oorspronkelijke gemeenten Merkelbeek en Brunssum vormde. Zie figuur 1.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0007.png"

Figuur 1.3: ligging project locatie met omgeving

De project locatie bevindt zich ten noordwesten van het centrum van Brunssum. Ten westen van de project locatie ligt de N330 beter bekend als de Buitenring Parkstad. De locatie wordt omsloten door bestaande woningen met tuin aan de noordzijde (Ringoven en Merkelbeekerstraat), oostzijde (Merkelbeekerstraat), westzijde (Klingstraat/ Merkelbeekerstraat) en zuidzijde (Schumanstraat). Zie figuur 1.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0008.png"

Figuur 1.4: project locatie Merkelbeekerstraat 45 (rood gearceerd) in Brunssum Noord

1.3. Juridisch-planologische regeling

Voor de project locatie (het besluitgebied) geldt de beheersverordening 'Woongebied 2e herziening', zoals die op 11 december 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Brunssum. Ter plaatse van het besluitgebied geldt de bestemming 'Wonen 2'. De woonfunctie is op de gronden binnen het besluitvlak 'Wonen - 2' toegestaan. Daarnaast zijn ter plaatse van het besluitgebied de besluitvlakken met dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)' en 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' van toepassing. Tevens ligt het besluitgebied binnen een luchtvaartverkeerszone met de daarbij behorende aanduidingen 'luchtvaarverkeerszone - 180 m'.

Zoals hiervoor aangegeven in paragraaf 1.2 heeft de rechter aangegeven dat de beheersverordening voor de project locatie buiten toepassing moet worden gelaten aangezien ruimere (bouw)mogelijkheden zijn toegekend dan het (planologisch) bestaande gebruik.

Dientengevolge is van toepassing het bestemmingsplan "Woongebieden 2e herziening", vastgesteld door de gemeenteraad op 9 december 2008, waarbij de project locatie bestemd is tot 'Woondoeleinden I (bestaand woongebied)' met de daarbij behorende bepalingen als opgenomen in artikel 6.

Volgens de bepalingen van dit bestemmingsplan is het volgende op de project locatie toegestaan:

  • de bouw van een grondgebonden vrijstaande woning;
  • de voorgevel moet geplaatst worden in of evenwijdig aan en achter de voorgevelrooilijn;
  • het maximaal aantal bouwlagen bedraagt 2 (waarbij de onderlaag, zolder en dakopbouw niet als bouwlaag wordt aangemerkt);
  • de maximale afstand tussen de voorgevelrooijlijn en de achtergevelrooilijn bedraagt 15 meter (en met toepassing van de binneplanse afwijkingbevoegdheid 18 meter);
  • het bouwperceel mag voor maximaal 50% worden bebouwd;
  • de bouwdiepte bedraagt maximaal 5 meter;
  • de inhoud van de grondgebonden woning bedraagt minimaal 250 m³ en maximaal 1.000 m³;
  • de bestaande bebouwing uitsluitend mag worden uitgebreid met maximaal 1 bouwlaag met in achtneming van enkele voorwaarden;
  • de gronden tussen de voorgevelrooilijn en achtergevelrooijlijn mogen worden bebouwd met gebouwen (uitbreiding bestaande bebouwing), waarbij de volgende voorwaarden gelden:

- de goothoogte mag maximaal 3,2 meter bedragen;

- de dakhelling mag maximaal 45° bedragen;

- de nokhoogte mag maximaal 6 meter bedragen;- de afstand tot de voorgevelrooilijn moet minimaal 3 meter bedragen;

  • de gronden achter de achtergevelrooilijn mogen worden bebouwd met gebouwen, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

- de goothoogte mag maximaal 3,2 meter bedragen;

- de nokhoogte mag maximaal 6 meter bedragen;

- de oppervlakte van gebouwen mag (inclusief reeds bestaande bebouwing) maximaal 60 m2 bedragen;

  • de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter;
  • de hoogte van bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen die voor de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter en achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter hoog mogen zijn;
  • een carport dient achter de voorgevelrooijlijn te worden opgericht;
  • aan de woning mag een balkon worden opgericht, mits de breedte van het balkon niet meer dan 3 meter en de diepte van het balkon niet meer dan 1 meter bedraagt;
  • aan de woning mag een erker worden gebouwd, mits de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de gevel waaraan deze wordt gebouwd, de diepte niet meer bedraagt dan 1 meter en de hoogte niet hoger is dan de bouwlaag waaraan de erker wordt gebouwd;
  • toegestaan zijn aan huis gebonden beroepen, met dien verstande dat de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan, maximaal 30% van het vloeroppervlak tot een maximum van 35 m2 als zodanig mag worden gebruikt, het aan huis gebonden beroep door de bewoner van het pand wordt uitgeoefend, de woonuitstraling van de bebouwing behouden blijf, het aan huis gebonden beroep wordt uitgeoefend in de hoofdmassa en/of het aangebouwde bijgebouw, danwel in een vrijstaand bijgebouw gelegen binnen een zone van 3 meter uit de oorspronkelijke achtergevel en de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed.

Ten aanzien van de begripsbepalingen en de wijze van meten geldt het volgende:

  • achtergevelrooilijn: denkbeeldige lijn die evenwijdig loopt aan de voorgevelrooilijn dan wel indien geen voorgevelrooilijn is aangegeven aan de in het verlengde van de voorgevel te trekken denkbeeldige lijn en die gelegen is aan de zijde van de van de weg afgekeerde gevel van de bebouwing alsmede is gelegen aan de zijde van de bebouwing die alsmede is gelegen aan de zijde van de bebouwing die in ruimtelijk opzicht de achtergevel van het gebouw betreft;
  • ander bouwwerk: een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
  • bebouwing: een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
  • bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;
  • bouwlaag: een gedeelte van een gebouw, dat door of op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van de onderbouw, zolder en dakopbouw en met een maximale hoogte van 3,00 meter voor woningen en 4,50 meter voor andere functies;
  • onderbouw: een gedeelte van een gebouw dat maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen en niet als bouwlaag wordt aangemerkt;
  • bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegestaan;
  • bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
  • gebouw: elk gebouw, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
  • grondgebonden woning: een gebouw, dat uitsluitend één woning omvat;
  • onderbouw: een gedeelte van een gebouw dat maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen en niet als bouwlaag wordt aangemerkt
  • peil: de gemiddelde hoogte van het afsluitende maaiveld;
  • voorgevel: de gevel aan een gebouw die is gelegen aan de zijde van een weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt;
  • voorgevelrooijlijn: de op de plankaart aangegeven naar de weg gekeerde lijn in of evenwijdig aan de voorkant van een gebouw of in het verlengde daarvan te trekken (denkbeeldige) lijn;
  • woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden;
  • zolder: ruimte(n) in een gebouw die geheel is (zijn) afgedekt met hellende daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen;
  • Afstand tussen voor- en achtergevelrooilijn: vanuit de voorgevelrooilijn aan de zijde van een bouwwerk die in ruimtelijk opzicht de voorkant van een gebouw vormt tot aan de daaraan evenwijdig gelegen achtergevelrooilijn;
  • (Bouw-)hoogte van een ander bouwwerk: verticaal vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk;
  • (Bouw-)hoogte van een bouwlaag: verticaal vanaf het hoogste punt van de betreffende bouwlaag tot en met de onderzijde van de vloer van de bouwlaag met dien verstande dat schoorstenen, liftschachten, lichtkoepels, antennes en soortgelijke bouwdelen van een gebouw buiten beschouwing blijven;
  • (Bouw)hoogte van een ander bouwwerk: verticaal vanaf het peil tot het hoogste punt van een bouwwerk;
  • Goothoogte van een gebouw: verticaal vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een dakopbouw of setback wordt toegepast binnen de denkbeeldige kap die ingevolge deze voorschriften is toegestaan, dan wordt deze niet meegeteld bij de bepaling van de goothoogte.
  • Hoogte van een gebouw: verticaal vanaf het hoogste punt van een gebouw tot peil met dien verstande dat schoorstenen, liftschachten, lichtkoepels, antennes en soortgelijke bouwdelen van een gebouw buiten beschouwing blijven;
  • Inhoud van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren en de dakvlakken, zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen en boven peil en met uitsluiting van souterrains, kelders en ondergrondse garages;
  • Lengte, breedte en diepte van een gebouw: horizontaal tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijk scheidingsmuren);
  • Oppervlakte van een gebouw: horizontaal tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren en wel 1,00 meter boven peil, dan wel indien het oppervlak uit meerdere bouwlagen bestaat, over de bouwlaag met de grootste oppervlakte;
  • ruimtelijke kwaliteit: de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van die ruimte (begripsomschrijving)
  • ruimtelijke kwaliteit: de voorgevels moeten geplaatst worden in of evenwijdig aan en achter de voorgevelrooilijn (beschrijving in hoofdlijnen);
  • stedenbouwkundig beeld: het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaald beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n).

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0012.png"

x = 1 grondgebonden, vrijstaand

Y = maximaal aantal bouwlagen

Z = maximale afstand tussen voorgevelrooilijn en achtergevelrooijlijn

Figuur 1.5: uitsnede van het bestemmingsplan "Woongebied, 2e herziening"

Daarnaast geldt volgens artikel 25, lid 2 van het bestemmingsplan "Woongebieden 2e herziening", een algemene vrijstellingsbevoegdheid van de bepalingen (artikel 6 - Woondoeleinden I) m.b.t. de genoemde maten, aantallen en percentages, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

1.4. Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst een beknopte beschrijving van de omgeving van het besluitgebied en het project voornemen gegeven in Hoofdstuk 2. De relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente komen in Hoofdstuk 3 aan bod. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten, zoals de milieu- en omgevingsaspecten en tot slot wordt er in Hoofdstuk 5 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan voornemen en in hoofdstuk 6 de juridische regeling. De ruimtelijke onderbouwing eindigt met hoofdstuk 6 waarin een eindconclusie is opgenomen.

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

2.1. Bestaande situatie

De project locatie is gesitueerd aan de Merkelbeekerstraat 45 in een overwegend uit woonhuizen met tuin bestaande buurt.

Oorspronkelijk maakte de project locatie onderdeel uit van een groter perceel waarop een woning (Merkelbeekerstraat 43) met een paardenstal was gelegen. De bestaande woning en paardenstal zijn geamoveerd ten behoeve van woningbouwontwikkeling.

Een deel van de woningbouw is inmiddels gerealiseerd. Het betreft de percelen Merkelbeekerstraat 43A, en Churchilllstraat 2A en Churchillstraat 2B. Zie figuur 1.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0013.png"

Figuur 1.6: al gerealiseerde woningbouwontwikkeling - zie kleuren (bron: kadasrakekaart.com - inclusief beoogde bebouwing volgens kadaster)

2.2. Toekomstige situatie

2.2.1 Vigerende juridisch-planologische regeling

Voor de project locatie Merkelbeekerstraat 45 zijn op basis van de vigerende juridisch-planologische regeling (zie hiervoor paragraaf bijlage 1) de volgende objectief begrensde planologische bouwbepalingen van toepassing, waaraan de beoogde planontwikkeling voldoet:

  • het betreft de bouw van een grondgebonden vrijstaande woning;
  • de voorgevel van het gebouw is geplaatst achter de voorgevelrooilijn;
  • het maximaal aantal bouwlagen bedraagt 2 (waarbij de onderlaag, zolder en dakopbouw niet als bouwlaag wordt aangemerkt);
  • de hoogte van de 2e bouwlaag bedraagt minder dan de toegestane 3 meter;
  • de bouwdiepte bedraagt minder dan 5 meter;
  • het bouwperceel wordt niet meer dan 50% bebouwd;
  • de inhoud van de grondgebonden woning bedraagt minimaal 250 m³;
  • de gronden achter de achtergevelrooilijn mogen worden bebouwd met gebouwen, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

- de goothoogte mag maximaal 3,2 meter bedragen;

- de nokhoogte mag maximaal 6 meter bedragen;

- de oppervlakte van gebouwen mag (inclusief reeds bestaande bebouwing) maximaal 60 m2 bedragen;

  • de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter;
  • de hoogte van bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen die voor de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter en achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter hoog mogen zijn.

Met het bouwplan wordt afgeweken van de volgende planologische geldende (bouw)maatvoeringen:

  • afwijking van de op de verbeelding (plankaart) opgenomen voorgevelrooijlijn;
  • de maximale afstand van 15 meter tussen de voorgevelrooijlijn en de achtergevelrooilijn en met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid maximaal 18 meter die ten behoeve van bebouwing (woning) mag worden aangewend;
  • de inhoud van de grondgebonden woning tot maximaal 1.000 m3 en met toepassing van de binnenplanse (maximaal 10%) afwijkingsbevoegdheid 1.100 m3;
  • de hoogte van de 1e bouwlaag met 3,325 meter in plaats van de maximale toegestane hoogte van 3 meter
  • de breedte van het balkon met 5,2 meter en de diepte van het balkon met 3,37 meter in plaats van de toegestane 3 meter respectievelijk 1 meter.

In de volgende paragraaf wordt het bouwplan nader beschreven met een verantwoording van de relevante afwijkingen ten opzichte van de vigerende planologische regeling.

De bouwtekeningen van de nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45 te Brunssum zijn in groot formaat als bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd en worden nader toegelicht in paragraaf 2.2.2.

2.2.2 Bouwplan

Het bouwplan omvat de bouw van één grondgebonden vrijstaande woning, bijbehorende bouwwerken, buitenzwembad en tuin inrichting op een open plek tussen de woning Merkelbeekerstraat 43 en de woning Merkelbeekerstraat 47, waarmee de open ruimte op de project locatie Merkelbeekerstraat 45 stedenbouwkundig gezien wordt afgerond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0014.png"

Figuur 1.7: beoogde invulling (globaal) op de project locatie Merkelbeekerstraat 45

Op het achterste deel van de project locatie is inmiddels een buitenzwembad met poolhuis/berging aangelegd alsmede een keermuur en is de buitenruimte deels al als tuin zone ingericht met inbegrip van afwerking van het aansluitende terrein. Aan de linkerzijde van het zwembad is een grondkering aangebracht in de vorm van een schanskorf met stenen (circa 1,50 meter hoog). Zie figuur 1.8.

Deze bouwwerken zijn opgericht binnen de bouwbepalingen van de vigerende planologische regeling voor bouwwerken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0015.png"

Figuur 1.8: grondkering met stenen aan de zijde van de tuinen behorende bij de woningen aan de Churchilllstraat

De vrijstaande woning (hoofdgebouw) wordt gebouwd op het smalste gedeelte en hoger gelegen deel van het perceel op 3 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrenzen van de percelen Merkelbeekerstraat 43A en 47 (zie figuur 1.9). De voorgevel van het hoofdgebouw komt verder naar achter te liggen ten opzichte van de voorgevelrooilijn (gevormd door de denkbeeldige lijn tussen de gevels van de panden Merkelbeekerstraat 43 en 47). Gezien breedte en diepte van het perceel in relatie tot schaal en omvang van het beoogde hoofdgebouw is een diepere situering van het hoofdgebouw ten opzichte van de bestaande naastliggende hoofdgebouwen vanuit stedenbouwkundig oogpunt (stedenbouwkundig beeld en ruimtelijke kwaliteit) evenwichtig verantwoord ingepast en vanuit stedenbouwkundig oogpunt (stedenbouwkundig beeld en ruimtelijke kwaliteit) en wegverkeerslawaai (een verantwoord- woon - en leefklimaat - zie hiervoor paragraaf 4.5.1) ook wenselijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Een diepere ligging van de voorgevelrooilijn is overigens niet ongebruikelijk in het stedelijk weefsel aan de Merkelbeekerstraat, gezien de ligging van de voorgevelrooijlijn (met circa 30 meter vanuit de wegzijde) bij de panden Merkelbeekerstraat 39 en 37, gesitueerd op circa 100 meter ten zuidwesten van de project locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0016.png"

Figuur 1.9: situering hoofdgebouw nieuwbouw woning op het Merkelbeekerstraat 45 (voorgevelrooijlijn, afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen en diepte van de woning)

Het hoofdgebouw heeft een breedte van 16,75 meter (afgerond). Voor wat betreft de breedte van het (hoofd)gebouw gelden geen beperkingen, behoudens de in acht te nemen afstand tot de zijdelingse perceelsgrens met tenminste 3 meter. Hieraan wordt voldaan.

Het (hoofd)gebouw (woning) heeft een diepte van 21,5 meter, bepaald door de voorgevelrooilijn (voorgevel) en en achtergevelrooilijn (achtergevel) van de bebouwing (woning). Volgens de vigerende planologische regeling mag de afstand van de bebouwing (woning) tussen de voorgevelrooilijn en achtergevelrooilijn maximaal 15 meter en met toepassing van de binnenplanse afwijking onder voorwaarden maximaal 18 meter bedragen.

De afwijking van de diepte van de bebouwing (woning) op de project locatie bedraagt 6,50 meter zonder toepassing van de afwijkingsbevoegdheid en 3,50 meter met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

De breedte van het perceel op de projectlocatie is ten opzichte van de naastliggende percelen (Merkelbeekerstraat 47 en 43) op het smalste gedeelte (het tussenstuk tussen de woningen) tenminste 6,25 meter minder breed. De breedte van het perceel op de projectlocatie bedraagt op het smalste gedeelte 22,75 meter ten opzichte van tenminste 29 meter bij de naastliggende percelen. Op de naastliggende percelen is het mogelijk een bredere woning te realiseren dan op de project locatie. Gezien de breedte op het smalste gedeelte van het perceel alsmede de forse diepte van het perceel (gemiddeld 85 meter) en de omvang van het totale perceel (circa 2.615 m2) is de te realiseren woning qua beoogde diepte van 21,5 meter vanuit stedenbouwkundig oogpunt op het perceel ruimtelijk verantwoord, mede gezien het feit dat ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens de afstandsmaat van tenminste 3 meter voor de bebouwing (woning) in acht wordt genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0017.png"

Figuur 1.10: situering nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45 met uitzicht op voorgevel

Het hoofdgebouw heeft een maximale bouwhoogte van 8,90 meter en een goothoogte van 3,325 meter boven peil, alsmede een diepte van circa 3 meter onder peil, en is opgebouwd uit drie bouwlagen, te weten:

  • een souterrain (gesitueerd onder maaiveld) met stallingsruimte voor auto's, bergings- en hobbyruimten;
  • de begane grondlaag boven peil ten behoeve van met name de woon- en verblijfsruimten, keuken en eetkamer, toilet- en badruimte, slaapkamer en buitenterras;
  • één verdiepingslaag met slaapkamers, vides, sanitaire ruimten en bergingsruimten.

Zie de figuren 1.11 t/m 1.13.

Binnen de vigerende planregeling zijn maximaal twee bouwlagen toegestaan, waarbij onderbouw, zolder en dakopbouw niet tot de bouwlaag worden gerekend. Met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is een derde bouwlaag toegestaan onder voorwaarden (geen afbreuk aan het stedenbouwkundig beeld en ruimtelijke kwaliteit en de belangen van derden mogen niet worden geschaad). Een maximale goot- en bouwhoogte voor de bebouwing is niet opgenomen, voor zover het niet een uitbreiding van een bestaand gebouw betreft.

De maximale hoogte van een bouwlaag mag 3 meter bedragen. De te realiseren bebouwing (woning) bestaat uit twee bouwlagen. De hoogte van de 1e bouwlaag (begane grondlaag) bedraagt 3,325 meter en van de 2e bouwlaag (verdieping) 3,075 meter. De totale hoogte van bouwlaag 1 en 2 tezamen bedraagt 6,40 meter.

In de meer recente ruimtelijke plannen binnen de gemeente (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) wordt een maximale hoogte van 3,20 per bouwlaag gehanteerd. De totale hoogte van 2 toegestane bouwlagen bedraagt derhalve 6,40 meter. De te realiseren bebouwing (woning) met een hoogte van 6,40 meter voor beide bouwlagen tezamen, voldoet derhalve aan de huidige maatvoering die de gemeente hanteert (maximale hoogte van twee bouwlagen = 6,40 meter). Het hanteren van een grotere hoogte voor een bouwlaag bij woningen dan voorzien in de vigerende planologische regeling is wenselijk gelet op de eisen die het huidige Bouwbesluit stelt. Voor verblijfsruimten in gebruiksfuncties geldt namelijk een aanscherping van de plafondhoogte met 20 centimeter van 2,40 meter tot thans 2,60 meter (minimaal). Bovendien wordt met de hoogte aangesloten bij de bouwhoogte van het naastgelegen pand Merkelbeekerstraat 43 met twee bouwlagen en schuine kapconstructie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0018.png"

Figuur 1.11: dwarsdoorsnede van de nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45

Binnen de vigerende planregeling mag de inhoud van de van de grondgebonden woning maximaal 1.000 m3 bedragen en met toepassing van de algemene binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (maximaal 10%) 1.100 m3 bedragen, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Daarbij dient vermeld te worden dat bij het bepalen van de inhoud van een gebouw souterrains, kelders en ondergrondse garages niet worden meegerekend.

Volgens de opgave behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning bedraagt de inhoud van de woning 1.150 m3, zijnde het gedeelte van de woning met uitzondering van het souterrain, kelder en ondergrondse garage.

Deze overschrijding is gezien de omvang van het perceel, de gehanteerde bouwlagen hoogte en de in acht genomen afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord en tast de belangen van derden bovendien niet onevenredig aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0019.png"

Figuur 1.12: plattegrond van het souterrain van de nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0020.png"

Figuur 1.13: plattegrond van de begane grondlaag van de nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0021.png"

Figuur 1.14: plattegrond van de verdieping van de woning Merkelbeekerstraat 45

De achtergevel van het hoofdgebouw met de daaraan gesitueerde leef-, slaap- en verblijfsruimten bestaat uit grote raampartijen met zicht op de (diepe) achtertuin en het buitenzwembad. Aan deze achterzijde van de woning is tevens het buiten terras gelegen en het aan de linkerzijgevel gesitueerde balkon. Zie de figuren 1.15 en 1.16.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0022.png"

Figuur 1.15: dwarsdoorsnede van de achtergevel van de nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0023.png"

Figuur 1.16: art impressie van de achterzijde van de nieuwbouw woning Merkelbeekerstraat 45

De dwars geplaatste lagere kap met de slaapvertrekken ligt gericht naar de belendende percelen die in de historische helling van de Merkelbeekerstraat liggen. Zie de figuren 1.17 en 1.18.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0024.png"

Figuur 1.17: rechterzijgevel van de nieuwbouw woning met oriëntatie op de woningen Merkelbeekerstraat 47 en Klingstraat 1

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0025.png"

Figuur 1.18: linkerzijgevel van de nieuwbouw woning met oriëntatie op de woning Merkelbeekerstraat 43A

Binnen de vigerende planregeling is een balkon toegestaan met een maximal breedte van 3 meter en een maximale diepte van 1 meter exclusief 10% afwijking volgens de algemene vrijstellingbevoegdheid.

Het balkon vormt een onlosmakelijk geintegreerd onderdeel van het totale bouwplan voor de woning c.q het woningconcept en bepaald mede de achterzijde (gevelwand) van het pand. Het balkon is gesitueerd aan de linkerachterzijde van het pand (richting de panden Merkelbeekerstraat 47 en Klingstraat 1). De breedte van het balkon bedraagt 5,2 meter en is over de volle breedte van de daarvoor gepositionerde slaapkamer met tuindeuren gelegen. De diepte van het balkon bedraagt 3,37 meter en is minder diep gestitueerd dan het gedeelte van de achtergevel van de woning gevormd door de berging (souterrain) en zitkamer (begane grondlaag). Deze achtergevel is circa 1,65 meter dieper gepositioneerd.

Het balkon is aan de buitenzijde richting de zijdelingse perceelsgrens voorzien van een wandconstructie over de gehele diepte van het balkon (3,37 meter) met een hoogte van circa 1,80 meter. De buitenzijde van het balkon met wandconstructie is op een afstand van meer dan 3 meter ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd.

De overschrijding van de balkonmaten is gezien de integratie van dit bouwgedeelte in de totale woning (woningconcept met bouwmassa, bouwdiepte en situering van het geheel) en de in acht genomen afstand van bebouwing (woning) tot de zijdelingse perceelsgrens vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord en tast de belangen van derden niet onevenredig aan. Tevens waarborgt de aangebrachte wandconstructie de privacy (zie hiervoor verder paragraaf 2.2.3).

2.2.3 Bezonning, daglichttoetreding, privacy, privaatrechtelijke belemmering en vrij uitzicht

2.2.3.1 Bezonning

Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en in de tuin en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt.

Er is geen wet- en regelgeving (wettelijke normen) voor bezonning. De gemeente Brunssum heeft geen eigen bezonningsbeleid. Wel bestaan er richtlijnen. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:

  • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
  • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers -hoogbouw of niet- nooit direct zonlicht.

Het toetsen aan deze richtlijnen wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aanvaardbaar geacht (onder meer uitspraak van 23 november 2016 - ECLI:NL:RVS:2016:30107).

Gezien de situering van de woning ten opzichte van de bestaande woningen, de hoogte van de woning Merkelbeekerstraat 45, de zonnebaan (oost-zuid-west) en de zonpositie gedurende de verschillende jaargetijden en dagperioden, wordt voldaan aan beide bezonningsnormen van TNO voor de omliggende woningen. Bovendien is er, gelet op de baan van de zon (oost-zuid-west), geen sprake van een onevenredige schaduwwerking op naastgelegen pwoningen en percelen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op de project locatie. De forse hoge en dichte boombeplanting aanwezig op de naastliggende percelen Merkelbeekerstaat 47 en Klingstraat 1, gesitueerd tegen de perceelsgrens van de project locatie, beperkt in zeer hoge mate de bezonning aan deze zijde van de bestaande woningen Merkelbeekerstraat 47 en Klingstraat 1 en veroorzaakt de, voor zover aanwezig, relevante schaduwwerking. Zie figuur 1.19. Het woon- en leefklimaat van de omwonenden wordt, gezien deze bestaande situatie, door de bouwplanontwikkeling niet onevenredig geschaad c.q. verslechterd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0026.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0027.png"

Figuur 1.19: bestaande hoge boombeplanting op naastliggende woonpercelen

Ook bij de nieuwbouw zelf moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent dat de nieuwe tuinen, terrassen, voldoende zon moeten krijgen. Hiervan is gezien de ligging van de nieuwbouwwoning sprake.

2.2.3.2 Daglichttoetreding

Bij daglichttoetreding gaat het om daglicht in de woning zelf. In het Bouwbesluit staat dat een gebouw voldoende daglichttoetreding moet hebben. Daglichttoetreding is derhalve wat anders dan bezonning. Bij nieuwe woningen wordt getoetst of het bouwplan hieraan voldoet. Per gebruiksfunctie gelden daarbij verschillende eisen. Het bouwbesluit (artikel 3.11) stelt géén eisen aan de daglichttoetreding bij naastgelegen woningen. Het bouwplan voldoet hieraan.

2.2.3.3 Privacy

Voor optimale waarborging van de privacy van de toekomstige bewoner, en ook de omwonenden, is er een wandschijf langs de buitenruimte van de slaapkamer ontworpen, waardoor het directe zicht op de kortste afstand zoveel mogelijk wordt beperkt. Zie figuur 1.20.

Bovendien zijn de raamopeningen en het balkon(s) op meer dan 2 meter van de perceelsgrens gesitueerd (verplichting volgens Burgerlijk Wetboek, boek 5, titel 4, richting eigenaren van de naburige erven). De afstand bedraagt tenminste 3 meter ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0028.png"

Figuur 1.20: beoogde wandschijf bij nieuwbouw woning ter waarborging van de privacy

Daarnaast zal als perceelsafscheiding met de woningen Merkelbeekstraat 47 en Klingstraat 1 en 3 een hekwerk met groenblijvende beplanting dan wel een andere ondoorzichtige erfafscheiding aangebracht worden wat tevens het directe zicht zoveel mogelijk beperkt. Zie figuur 1.21.

De bestaande forse hoge en dichte boombeplanting op de naastliggende percelen Merkelbeekerstaat 47 en Klingstraat 1 voorkomt overigens de inkijk aan deze zijde van de project locatie aanzienlijk. Zie figuur 1.19.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0029.png"

Figuur 1.21 beoogde perceelscheiding met beplanting ter waarborging van de privacy

Er is dus in beperkte mate sprake van inkijk vanuit de woning of naar de nieuwe woning op de project locatie. De privacy wordt echter in voldoende mate gewaarborgd.

2.2.3.4 Privaatrechtelijke belemmeringen

Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Privacy is normaal gesproken een 'privaatrechtelijke' aangelegenheid, die dient te worden beoordeeld door de burgerlijke rechter, en niet door de bestuursrechter.

Hieraan kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van de ontwikkeling niet aannemelijk is

Naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in Nederland, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is een privaatrechtelijke belemmering 'evident' indien de belemmering zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld en geen twijfel bestaat over het bestaan hiervan. Deze situatie doet zich voor wanneer:

  • tussen de betrokken partijen niet in geschil is dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering (betrokkenen zijn het er over eens dat er sprake is van een (ernstige) inbreuk);
  • wanneer de privaatrechtelijke belemmering blijkt uit een vonnis van de burgerlijke rechter, of
  • of wanneer op andere wijze eenvoudig (zonder nader onderzoek - bijvoorbeeld op het oog) kan worden vastgesteld dat zich een privaatrechtelijke belemmering voordoet.

Van dit alles is op de project locatie géén sprake, mede gezien de afstand van de bebouwing ten opzichte van de erf perceelgrens (meer dan 2 meter).

Een belanghebbende die zich niettemin op het standpunt stelt dat een privaatrechtelijke belemmering dusdanig evident is dat de vergunning geweigerd dient te worden, draagt het bewijsrisico voor het bestaan hiervan op zich. Deze belanghebbende zal dus aannemelijk moeten maken of zelfs moeten aantonen dat zijn privacybelangen een privaatrechtelijke belemmering oplevert die evident in het gedrang is als de vergunning verleend wordt en, dat deze aan vergunningverlening in de weg staat.

2.2.3.5 Vrij uitzicht

Voor zover er sprake is van een beperking van het vrije uitzicht van omwonenden kan gesteld worden dat volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in Nederland, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, er geen blijvend recht is op vrij uitzicht (o.a. ECLI_NL_RVS_2020_515, Raad van State, 201901149_1_R3).

Het vrije uitzicht van de percelen Merkelbeekerstraat 47 en Klingstraat 1 op de project locatie wordt in hoge mate verstoord door de aanwezige hoge en dichte boombeplanting op deze percelen (zie hiervoor afbeelding 1.19). Enige vorm van uitzicht op een te bebouwen woonperceel Merkelbeekerstraat 45 met woning en tuin in een bestaand binnenstedelijk woongebied, veroorzaakt echter niet een onaanvaardbare beperking in het uitzicht alsmede een onevenredige verslechtering van het woon- en verblijfsklimaat voor omwonenden indien een dergelijk braakliggend bestaand binnenstedelijk woonperceel uiteindelijk tot ontwikkeling komt.

2.2.4 Eindconclusie ruimtelijke inpassing

Het College heeft een discretionaire bevoegdheid om te mogen afwijken van de planologische van toepassing zijnde bouwmaatvoering indien er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dit voldoende is gemotiveerd.

Met de beoogde bouwplanontwikkeling op de project locatie wordt afgeweken van de vigerende planologische bouwbepalingen. Uit de beschrijving van het beoogde bouwplan op het perceel in paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 kan geconcludeerd worden dat de bouwontwikkeling op de project locatie stedenbouwkundig-ruimtelijk past in de omgeving.

De afwijkingen van de hiervoor beschreven van toepassing zijnde planologische bouwbepalingen zijn gezien de situering, aard en omvang van de afwijking van de bebouwing in relatie tot de situering, omvang, grootte en diepte van het bouwperceel Merkelbeekerstraat 45 passend in het stedenbouwkundige beeld en de ruimtelijke structuur en kwaliteit ter plaatse. Hetgeen bevestigd wordt in het welstandsadvies van de stadsbouwmeester.

De beoogde bouwplanontwikkeling veroorzaakt geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en verblijfsmilieu ter plaatse. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners en dit is bovendien in voldoende mate gewaarborgd. De belangen van derden in de directe omgeving worden bovendien door de voorgestane bouwplanontwikkeling niet onevenredig geschaad. De privacy is in voldoende mate gewaarborgd, er is geen sprake van onevenredige schaduwwerking en er is geen sprake van een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat van de direct omwonenden.

Geconcludeerd kan worden dat met de beoogde (beschreven) bouwplanontwikkeling de ruimtelijke inpassing van het project op de projectlocatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1. Inleiding

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het besluitgebied relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente.

3.2. Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), september 2020

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR). De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal.

De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Dit betekent een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Hierdoor ontstaat het volgende beeld: het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio’s;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de mede overheden.

Beoordeling

Wonen is voor onderhavig project relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

Voor dit project zijn de relevante nationale belangen:

  • bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

De belangrijkste keuzes zijn:

  • duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit;
  • ruimte voor overgang naar een circulaire economie;
  • woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden;
  • landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

Er is sprake van een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. Er is sprake van een lokale binnenstedelijke ontwikkeling waarbij een voldoende gezonde en veilige fysieke leefomgeving in voldoende mate wordt gewaarborgd en bevordert. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de NOVI.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Algemeen

Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) in werking getreden en het Bro van toepassing. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

Het gaat om het beschermen van de nationale belangen. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Deze nationale belangen zijn:

1. Rijksvaarwegen;

2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;

3. Kustfundament;

4. Grote rivieren;

5. Waddenzee en waddengebied;

6. Defensie;

7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

8. Elektriciteitsvoorziening;

9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);

11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);

13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;

14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Als directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.

Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS).

Militaire vliegbases

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden gehouden met militaire luchtvaartterreinen. De NAVO-vliegbasis Geilenkirchen kent een tweetal geluidzones in respectievelijk dB(A) en Kosteneenheden (Ke) en een obstakelbeheergebied, welke gebieden zijn begrensd op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het Barro en Rarro. Onderhavig besluitgebied (project locatie) is gelegen binnen het obstakelbeheersgebied (kaart 4 Rarro), maar buiten de Ke-geluidzone rondom die basis.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0030.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0031.png"

Figuur 3.1: Ligging obstakelbeheergebied vliegbases Geilenkirchen ten opzichte van het besluitgebied

De maximale hoogte voor objecten binnen een obstakelbeheersgebied dient op grond artikel 2.6.4, lid 4 van het Barro in overeenstemming te zijn met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens. Dat Besluit strekt ertoe om met betrekking tot militaire luchthavens uitvoering te geven aan de Wet luchtvaart. Dit besluit is in feite primair een herschikking van reeds geldende regels die vanuit diverse regelgeving in dit besluit bijeen zijn gebracht. Het obstakelbeheergebied is een samenstelling van een aantal verschillende obstakelvlakken:

  • de invliegfunnel;
  • het Inner Horizontal Conical Sufrace (IHCS);
  • het Instrument Landing System-gebied (ILS).

De funnel, gekoppeld aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen, is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken.

Binnen het besluitgebied is de aanduiding 'luchtvaartverkeerszone - 180 m' van toepassing. Het maaiveldniveau (peil) binnen het besluitgebied bedraagt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland ca 80,73 meter + NAP. De bouwhoogte van het plan voornemen zal niet meer dan 9,5 meter bedragen, hierdoor zijn er in elk geval geen belemmeringen te verwachten voor de realisatie van de beoogde woningbouwontwikkeling.

Beoordeling

Uit het Barro volgen verder geen nationale belangen die een planologisch-juridische doorwerking hebben in het besluitgebied. Dit houdt in dat er voor ontwikkeling op de project locatie geen beperkingen vanuit de Barro gelden.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, naast het Barro, tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarmee dit mogelijk is. Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden.

Nationaal belang 13 uit de SVIR vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit nationale belang is wettelijk verankerd in het Bro. In de SVIR is daarvoor de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut.

De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hierna volgt een toetsing van onderhavig plan voornemen aan de nieuwe Ladder.

Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt:

“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro stelt derhalve dat de toelichting bij een plan(ontwikkeling) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan twee stappen:

  • de toelichting bij een plan(ontwikkeling) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling,
  • indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen.

Stedelijke ontwikkeling

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak (vaste jurisprudentie) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen (welke op één dezelfde locatie) gerealiseerd worden. Dit is het maximale aantal woningen, wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen (op dezelfde locatie) pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Beoordeling

De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Er vindt nieuw beslag op de ruimte plaats. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd.

Op de project locatie is er sprake van een toevoeging van maximaal 1 vrijstaand grondgebonden woning. Gezien dit aantal en de ontwikkelde jurisprudentie op het gebied van 'stedelijke ontwikkeling' behoeft de voorziene ontwikkeling derhalve niet ‘beladderd’ te worden.

Conclusie

De planontwikkeling maakt géén nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

3.2.4 Waterbeleid

Kaderrichtlijn water

Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, wordt een waterparagraaf opgenomen.

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat tevens de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie. De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier.

Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt meegekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld.

Beoordeling

In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.10.

3.2.5 Wet milieubeheer

Op de grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), moet bij de initiatieven voor bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten.

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten.

Beoordeling

In deze toelichting wordt op het aspect m.e.r.-beoordeling nader ingegaan in paragraaf 4.13.

3.3. Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021.

De POVI is een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (beoogde inwerkingtreding per 01-01-2023).

Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-)modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Omgevingswet zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma’s, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies.

Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Een programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt.

Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving:

  • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan;
  • maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma’s inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma’s. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma’s worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuurscyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd.

Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen. Voor de Provincie zijn vier programma’s verplicht:

  • Actieplan geluid;
  • Regionaal Waterprogramma;
  • Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden;
  • Programma’s bij dreigende overschrijding van omgevingswaarde (zwaveldioxiden of stikstof)

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0032.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0033.png"

Figuur 3.2: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg

Het Omgevingsbeleid voor Zuid-Limburg richt zich op het koesteren en verder uitbouwen van de sterke punten uit de profielschets en tegelijkertijd op een strategie om de zwakke punten aan te pakken.

De regio biedt een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren, voor zowel inwoners als toeristen. De regio trekt nieuwe inwoners aan, want het op peil houden van het inwoneraantal draagt bij aan het behoud en het verbeteren van een brede welvaart.

Gezien de stapeling van grote opgaven én kansen in een gebied met een bijzonder karakter en de opkomst van thema’s met (soms nog onbekende) ruimtevragen, onderscheiden we hier opgaven in vier lagen, met elk een verschillend gericht beleid. Deze vier lagen zijn:

  • Landelijk gebied;
  • Duurzame mobiliteit;
  • Regionale centra en grote werklocaties;
  • Stedelijk gebied.

Wonen en leefomgeving

Voor wonen staan voor een belangrijk deel de gemeenten aan de lat. De werkwijze voor wonen is vanaf 2015 gegroeid en per regio vastgelegd in bestuursafspraken tussen de gemeenten en de Provincie. De essentie van deze werkwijze is dat de gemeenten in regionaal verband per thema de kaders uit de provinciale omgevingsvisie (ambitie, opgave, principes) concretiseren tot gezamenlijke (inter)gemeentelijke programma’s (voorheen structuurvisies of visies), waarvan de essenties onderdeel worden van de gemeentelijke omgevingsvisies. De Provincie is nauw betrokken bij deze uitwerkingen. De vaststelling vindt evenwel plaats door gemeenteraden/ besturen. De bestuursafspraken gaan over de totstandkoming, uitwerking, uitvoering, borging, naleving en monitoring van deze regionale uitwerkingen. De regionale aanpakken maken maatwerk per regio (Zuid-Limburg) mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0034.png"

Er is sprake van zowel kwalitatieve als kwantitatieve opgaven op de woningmarkt en van een trage doorstroming. Deze opgaven verschillen per regio. Ook de betaalbaarheid van woningen staat onder druk.

Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen én kansen. Limburg scoort op het punt van besteedbaar inkomen, arbeidsparticipatie, sociale contacten, vertrouwen en gezondheid beduidend slechter dan het Nederlands gemiddelde. Daarom kijkt de provincie met haar beleid voor wonen niet alleen naar de woonbehoefte en de kwaliteit en betaalbaarheid van de woning én de woon- en leefomgeving, maar wordt gekozen voor een bredere aanpak. Er is een ambitie om de brede welvaart van de Limburger te verbeteren. Daarbij zijn er ook kansen om een bijdrage te leveren aan de klimaat-, energie-, verduurzamings-, ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven die er voor de woningmarkt en in de bebouwde omgeving liggen.

De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom wordt gekozen voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee wordt ingespeeld op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van de inwoners van Limburg zijn hierbij leidend.

De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is reeds in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburg breed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte.

Volgens de huidige prognoses worden vanaf ongeveer 2030 overschotten in de woningvoorraad verwacht. Lokaal zijn die er nu al of ontstaat dit overschot juist later. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten.

Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. gedacht wordt hierbij aan bijvoorbeeld isoleren, het plaatsen van zonnepanelen en woningen van het gas halen. Dit leidt tot sloop- en/of herstructureringsopgaven in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied, om daarmee de woningvoorraad up-to-date en passend bij de woonbehoefte te maken. Bovendien wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de sociaal-economische en gezondheidssituatie van de inwoners en het voorkomen van segregatie.

Ook de betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studieschulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming.

Door het in balans brengen van vraag en aanbod kan een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen worden voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheids- problemen.

De woonkwaliteit voor mensen is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Ook sociaal-economische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving zijn van belang. Leegstand, criminele activiteiten, ondermijning of verloedering en eenzijdig samengestelde woongebieden hebben invloed op de leefbaarheid en kunnen de kloof in de samenleving vergroten. Gemengde wijken met ruimte voor verschillende leefstijlen dragen bij aan een sterker sociaal weefsel en kunnen bijdragen aan het voorkomen van sociale problemen.

Schone lucht, de nabijheid van groen - ook om hittestress tegen te gaan-, voorzieningen om wateroverlast tegen te gaan bij extreme buien en de kwaliteit van de openbare ruimte dragen bij aan de omgevingskwaliteit.

 

Ambitie

Samen met haar partners wil de provincie een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doen we door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn.

De provincie faciliteert flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diverse groep mensen tegemoet kan worden gekomen in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw.

Door in samenhang naar woonopgaven te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wordt verdere segregatie voorkomen en vindt ruimtelijk sturing plaats door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Waarvoor wordt gekozen?

  • De POVI is het richtinggevende kader op hoofdlijnen. Daarnaast worden nadere uitwerkingen gemaakt op basis van regionale en lokale woonbehoeften, zoals de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023. Deze meer gerichte uitwerkingen zijn noodzakelijk in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten. Enerzijds omdat de woningbehoefte verandert en anderzijds omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven ten aanzien van woon- en leefomgeving. Zo bieden we flexibiliteit om opgaven gericht op te pakken en bij te sturen
  • Vanwege het brede maatschappelijke belang van de opgave is gekozen voor een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. In hoofdzaak acteert de provincie vanuit toegevoegde waarde, meestal ondersteunend en aanvullend aan die de partners en via de inzet van (financieel en juridisch) instrumentarium. Indien nodig worden provinciale instrumenten ingezet.
  • Monitoring vormt de basis voor regionale samenwerking. Provinciale monitoring is belangrijk om de Limburgse en regionale woonopgave voortdurend in beeld te hebben. Op basis daarvan kunnen gemotiveerd provinciale en regionale uitwerkingen voor het beleidsveld wonen worden gemaakt. Daarnaast kunnen de regio’s op basis van de monitoringsgegevens hun programmering maken en afstemmen.
  • De woningbouwontwikkelingen worden benaderd vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij het nemen van keuzes wordt rekening gehouden met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast wordt de woningopgave altijd bezien in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. Met het stimuleren van natuur inclusief en circulair bouwen, de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe woningen, vraagt de provincie om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en -adaptieve woonomgeving.
  • Via het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal benut, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Daarvoor wordt samengewerkt met andere beleidsvelden. Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen. Voorbeelden hiervan zijn tijdelijk permanente bewoning toestaan in recreatieparken toestaan voor de huisvesting van internationale werknemers en/of woonurgenten voor de duur van maximaal tien jaar en onder (nader te bepalen) voorwaarden als verdienmodel voor toekomstige herontwikkeling of sanering van het park, of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied zijn hiervan voorbeelden (zie hiervoor ook het hoofdstuk Economie). Deze uitzondering – hoewel niet tijdelijk – geldt ook voor Ruimte voor Ruimte woningen.
  • Waar nodig wordt samen met ondernemers ruimte gemaakt voor arbeidsmigratie met leefbare huisvesting voor tijdelijke internationale werknemers en goede integratie van ‘nieuwe Limburgers’. Gemeenten worden geholpen om op een goede wijze de huisvesting te organiseren waarbij toegewerkt wordt naar één keurmerk, namelijk het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de beleidskaders van de POVI.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg

Algemeen

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI.

Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter is uitgesteld tot 1 januari 2023 wordt daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden.

In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap;
  • regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen.

Instructie regels gemeenten

In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor ‘bestemmingsplannen’ golden, maar breder voor ‘ruimtelijke plannen’. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings-of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan.

Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldende instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en 8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de Omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevings- verordening. De overige ‘ruimtelijke besluiten’ die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen.

Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid. Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. De provincie Limburg beschikt over meer dan voldoende planvoorraad om aan de kwantitatieve vraag te voldoen (2x meer planvoorraad dan de vraag). Of met deze bestaande planvoorraad voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag is niet altijd duidelijk. Daarbij zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken, om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd, in heel Limburg, in steden en op het platteland, is er een realisatie termijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen.

Er is een onderscheid gemaakt in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en niet gerealiseerde plannen van vóór 2015, vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet plaatsvindt, dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen. Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden, geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld, geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden, dan worden ze door de gemeente heroverwogen.

Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn wordt een toename van de realisaties verwacht. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd, of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen. De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen, afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van papieren plannen, worden met de instructieregels in de omgevingsverordening weg genomen. Gesteund door de andere instrumenten die de provincie en het Rijk inzetten, wordt de slagingskans van onze gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van ‘de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment’ vergroot.

Met deze actualisatieplicht in twee stappen, wordt gestuurd op de planvoorraad die past bij de actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, welke tevens ook binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd en anders plaats maakt voor andere woningbouwplannen of functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0035.png"

Figuur 3.3: uitsnede van kaart 10 'Wonen, werken en recreëren' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg)

Instructieregels voor waterschap

Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Het waterschap is de beheerder van de regionale wateren. Vanuit die positie dient(alleen) het waterschap concrete maatregelen te nemen om de afvoer- en bergingscapaciteit van een regionaal oppervlaktewater te vergroten. Daarom moet het waterschap voldoen aan de provinciale normen voor wateroverlast.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid van de Omgevingswet moet een omgevingswaarde worden geduid als een resultaatverplichting, inspanningsverplichting of een andere, te omschrijven verplichting. Op grond van de hieronder beschreven aspecten is de omgevingswaarde geduid als resultaatverplichting:

  • het beleid omtrent de normering zoals opgenomen in het Provinciaal Waterprogramma als continuering van het voorgaande Provinciale Waterplan;
  • de concrete wijze waarop de normering is vastgelegd in de Omgevingsverordening, waarbij is afgewogen of de te treffen maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn;
  • de mogelijkheid om de normering aan te passen op basis van de periodieke beoordeling van de regionale wateren als bedoel in artikel 3.1, tweede lid.

Tevens is bepaald dat op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Omgevingswet dat aan de resultaatsverplichting om te voldoen aan de normering uiterlijk in 2035 moet zijn voldaan. Hierbij is rekening gehouden met de complexiteit van de opgave, met name in het Zuid-Limburgse Heuvelland en de omvang van de kosten.

De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. Deze omgevingswaarden geven afhankelijk van de functie van het gebied en van het oppervlaktewater aan, aan welke normen de bescherming tegen wateroverlast moet voldoen. Bij de uitvoering van maatregelen om aan deze normen te voldoen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het extremer wordende weer, met meer hoosbuien en daardoor een grotere kans op wateroverlast. Bij de normstelling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn. De normering regionale wateroverlast bepaalt de opgave inzake wateroverlast door het waterschap.

De project locatie is gesitueerd in Overstromingsgebied E (zie figuur 3.4) met een gemiddelde overstromingskans van 1:100 voor bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in de droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg. Daarbij geldt dat:

  • de norm voor bebouwing alleen geldt voor woonbebouwing, bedrijven en niet voor overige terreinen in stedelijk gebied;
  • de norm voor bebouwing alleen geldt voor water dat over de drempel van bebouwing naar binnen stroomt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0036.png" Figuur 3.4: uitsnede van kaart 3 'Omgevingswaarden - wateroverlast' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg)

Het waterschap is verantwoordelijk voor het realiseren van de bescherming volgens de normen. Daarbij dient het waterschap de maatregelen zodanig te ontwerpen, dat deze ook in het verwachte klimaat van 2050 nog voldoen aan de geldende normen uit de Omgevingsverordening. Daarbij dient steeds uitgegaan te worden van de meest actuele neerslagstatistieken.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling op de project locatie is uitvoerbaar met inachtneming van de (toekomstige) verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor onder meer de verantwoording in paragraaf 3.5 en hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten").

3.3.3 Geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014

Algemeen

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL 2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Nu is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL 2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 en de Verordening Wonen Zuid-Limburg vrijwel ongewijzigd opgenomen. Hierdoor zijn alle doorwerkingsinstrumenten van het omgevingsbeleid nu ondergebracht in één document. Voor onderhavig project voornemen is artikel 2.2 (Duurzame verstedelijking) van toepassing. De laatste versie (geconsolideerde versie) van de Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld op 22 november 2019.

Beoordeling

Op kaart 2 ('Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014') van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is de project locatie aan de Merkelbeekerstraat 45 aangeduid als "bebouwd gebied".

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0037.png"

Figuur 3.5: Uitsnede van kaart 2 'duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014' (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014)

Onderzocht is of er regels van het hoofdstuk Ruimte van toepassing zijn op het plangebied. Het thema "Duurzame verstedelijking" is van toepassing, dit volgt tevens uit het Besluit ruimtelijke ordening. Aangezien het project voornemen niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig. Zie hiervoor paragraaf 3.2.3.

In artikel 2.4 wordt verwezen naar de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014. In paragraaf 3.5 gemeentelijk beleid wordt daar nader op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0038.png"

Figuur 3.6: Uitsnede van kaart 10 'regionale wateroverlast' (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014)

Op kaart 10 (Normering regionale wateroverlast) van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is voor de project locatie, de normering 1:100 van toepassing. Deze leidt niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling op de project locatie. Zie tevens paragraaf 4.10.

Op de overige themakaarten zijn geen specifieke zaken opgenomen die nader aandacht behoeven in deze toelichting.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling op de project locatie is uitvoerbaar met inachtneming van de (toekomstige) verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor onder meer de verantwoording in paragraaf 3.5 en hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten").

3.3.4 Waterbeleid Provincie Limburg

Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Limburgse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaat veranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Limburg.

In paragraaf 4.10 wordt daar nader op ingegaan op het aspect waterhuishouding.

3.4. Regionaal beleid

3.4.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (hierna: SVWZL), die op 11 oktober 2016 is vastgesteld door de raad van Brunssum, is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten (waaronder Brunssum) vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Ook erkennen gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, dat onderlinge concurrentie, met de bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennis regio heeft, leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio. Een overschot aan woningen is niet in het gezamenlijk belang, want dat kan negatieve gevolgen hebben voor de bestaande woningvoorraad, met alle gevolgen van dien voor leefbaarheid, doorstroming en betaalbaarheid.

De woningmarkt in Zuid-Limburg heeft te maken met een kwantitatieve én kwalitatieve mis match: er zijn te veel woningen en tevens sluit het aanbod niet meer aan op de toekomstige vraag. Daarom worden er afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak.

Doel van de visie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid-Limburg hoog in het vaandel heeft.

In de visie wordt op hoofdlijnen de gewenste kwaliteitsslag beschreven die nodig is om het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. De belangrijkste conclusies hierbij zijn, dat de grootste problemen thans optreden in het particulier bezit en dat er naar verhouding meer huurwoningen gewenst zijn. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden.

Het belangrijkste uitgangspunt daarbij is evenwel dat de woningvoorraad in omvang niet meer mag groeien, dit om te voorkomen dat de leegstand toeneemt. Leegstand leidt tot verloedering en ook tot waardedaling. Dit basisprincipe leidt ertoe dat nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad zullen moeten worden gecompenseerd, hetzij met sloop, hetzij met het schrappen van harde bouwtitels, hetzij met een financiële bijdrage (waarmee sloop kan worden gefinancierd).

Voor iedere gemeente wordt daarom aan de hand van actuele demografische gegevens en leegstandscijfers een transformatie opgave afgesproken, zijnde de kwantitatieve koers die de gemeente dient te varen. Die kwantitatieve koers moet worden beschouwd als richtinggevend wat betreft het maken van beleidsmatige keuzes en niet als een harde afdwingbare sloop taakstelling. De transformatie opgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een gezonde frictie leegstand van 2%) en de huishoudens ontwikkeling. De transformatie opgave wordt tweejaarlijks herijkt. Gemeenten worden verplicht een woningbouwprogrammering op te stellen welke is geënt op zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woon opgaven.

Aan de structuurvisie liggen drie onderzoeken ten grondslag. Het betreft de onderzoeken 'Woonmilieus in Zuid-Limburg' (Companen), 'Woonmilieu Zuid-Limburg fase 2' (Atrivé) en het 'Regionaal afwegingskader wonen Maastricht-Heuvelland' (Stec-groep). De onderzoeken hebben geleid tot de volgende algemene inzichten:

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0039.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0040.png"

Figuur 3.7: uitsnede van structuurvisie Brunssum 2025

Woonmilieus: er zijn drie milieus in deze woonregio: stedelijk, suburbaan en landelijk:

  • stedelijk milieu: meer vraag dan aanbod, opletten voor gevolgen rest van de gemeente/regio;
  • suburbaan milieu: meer aanbod dan vraag, sterk verdunnen (met name in de particuliere voorraad), inzetten op kwaliteit en transformatie;
  • landelijk milieu: in evenwicht, maar leegstand op de loer, inzetten op verbetering/ vernieuwing.

Kansen:

  • kansen liggen in goedkope huur (onder liberalisatiegrens) en middeldure huur (€ 700 - € 900);
  • kansen in extramuralisering/wonen met zorg (met name bestaand vastgoed interessant);
  • kansen voor bijzondere exclusieve woonvormen, zoals wonen op het water, collectief particulier opdrachtgeverschap en wonen in een kerk of kasteel. Het risico op ontwrichting van de reguliere woningmarkt is hier relatief klein);
  • kansen in studentenhuisvesting.

Afspraken: in de regio zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • schrappen van programma dat geen toegevoegde waarde meer heeft;
  • transformatie opgave tweejaarlijks vaststellen per gemeente;
  • herinvulling waardevol bestaand vastgoed (zoals monumenten) heeft prioriteit;
  • compensatie verplicht bij nieuwe initiatieven (in deze volgorde):
  • 1. slopen;
  • 2. financiële compensatieregeling;
  • 3. gemeente neemt sloop verplichting over en voert deze uit binnen de raadstermijn;
  • 4. schrappen bestaande plancapaciteit: 1 nieuwe woning tegen 4 bestaande woningen (bij monumenten 1 op 1).

Conclusie

De ontwikkeling op de project locatie is in overeenstemming met de beleidsuitgangspunten en afspraken zoals geformuleerd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De te realiseren woning maakt onderdeel uit van het gemeentelijk woningbouwprogramma, aangezien één vrijstaande grondgebonden woning volgens de vigerende planologische regeling op de project locatie gebouwd kan worden.

3.4.2 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021

De Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021, onderdeel gemeente Brunssum is op 28 juni 2017 vastgesteld en vormt het kader voor het woonbeleid op het regionale niveau voor de Stadsregio Parkstad Limburg en op het lokale niveau voor de gemeente Brunssum. De woonvisie is het integrale beleidsdocument waarin wordt aangegeven hoe de regio en de gemeente samen met de op de woningmarkt actief zijnde partijen, de opgaven op de totale woningmarkt gaan aanpakken. Elke gemeente heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie.

De Woonvisies geven richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt; het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling­ en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft een Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties. Ingegeven door de herziene Woningwet.

De Woonvisie Brunssum is het resultaat van een interactief proces waarin zowel lokaal als regionaal bijeenkomsten met stakeholders (onder andere woningcorporaties, huurdersorganisaties, ontwikkelaars, makelaars, zorg- en welzijnspartijen, etcetera) zijn georganiseerd, waarbij input is opgehaald voor de nieuwe visie.

Visie Brunssum

  • Brunssum zet in op het versterken van de bestaande woonmilieus. Dit betekent verdichten in het centrum en vergroenen van de omgeving buiten het centrum.
  • Verbetering van de match van vraag en aanbod betekent onder meer dat koopwoningen omgezet worden naar huurwoningen. Brunssum doet hiertoe mee aan regionale pilots.
  • De gemeente wil het langer zelfstandig wonen ondersteunen door afspraken te maken over toevoeging van meer levensloopgeschikte woningen.
  • Naast aanpassing van de woning is aanpassing en toegankelijk maken van de woonomgeving minstens zo belangrijk;
  • Brunssum wil in 2040 energie neutraal zijn. De verduurzaming van de woningvoorraad speelt een enorme rol in het verduurzamen van de gemeente. Uit het onderzoek “PALET 2.0 – Brunssum” blijkt dat via zonne-energie en warmte-koude opslag veel duurzame energie op te wekken valt.

3.5. Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Brunssum

In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen, wijk voorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden.

In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is.

De Structuurvisie is voorts opgebouwd uit 5 thema's, waarvan vooral het thema Wonen van toepassing is op het besluitgebied:

  • Wonen;
  • Werken;
  • Voorzieningen;
  • Recreatie, natuur, milieu;
  • Verkeer.

Wonen

Brunssum richt zich op het behouden en versterken van de gemeente als onderscheidende, kwalitatief goede woonplek. Brunssum moet ook in 2025, mede in het licht van de veranderende demografische omstandigheden, niet alleen een aantrekkende woongemeente zijn, maar ook een gemeente waar goed geleefd kan worden. Ontwikkelingen binnen de woningvoorraad, de werkgelegenheid, de voorzieningen, de sociaal-maatschappelijke structuur, de ruimtelijke structuur, de recreatie en het verkeer dienen met elkaar bij te dragen aan het bereiken van de voor de toekomst noodzakelijke woon- en leefklimaat.

Beoordeling

Onderhavig planontwikkeling (realisatie van 1 vrijstaande woning) levert een bijdrage aan de doelstelling om in Brunssum een onderscheidend en kwalitatief goed woon- en leefklimaat te realiseren. De ontwikkeling op de project locatie voorziet in nieuwe huisvesting die aan alle huidige duurzame wooneisen zal voldoen. Derhalve sluit de ontwikkeling aan bij de doelstelling uit de Structuurvisie Brunssum.

3.5.2 Beleidsregel ‘financiële compensatie bij kleine woningbouwinitiatieven Zuid-Limburg’

Burgemeester en Wethouders van Brunssum hebben in de vergadering van 11 april 2017 de: Beleidsregel ‘financiële compensatie bij kleine woningbouwinitiatieven Zuid-Limburg’ vastgesteld. Deze beleidsregel dient ter nadere uitwerking van het in de SVWZ voorgestelde instrument ‘financieel compensatiebeleid’. De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg bevat uitvoeringsafspraken en instrumenten om een kwalitatief goede en evenwichtige woningmarkt te bewerkstelligen. Dit beleid richt zich op het realiseren van een duurzame, kwalitatief goede woningvoorraad en het in evenwicht brengen van vraag en aanbod. Gezien de verwachte afname van de bevolking en in de toekomst ook van het aantal huishoudens is afgesproken dat de woningvoorraad in Zuid-Limburg niet mag toenemen. Dit houdt in dat voor iedere woning die toegevoegd wordt, een woning aan de woningvoorraad dient te worden onttrokken.

In de subregionale woningmarktprogrammeringen worden de condities (compensatiebeleid) afgesproken, waaronder nieuwe initiatieven aan de woningmarkt kunnen worden toegevoegd. In principe geldt de compensatieplicht (beleidsregel VI) voor alle nieuwe initiatieven, als deze nog niet meegenomen zijn in de subregionale woningmarktprogrammering. In geval van (kleine) locaties is het niet altijd haalbaar om fysieke compensatie te leveren.

Met de vaststelling van de SVWZL en de beleidsregel wordt publiekrechtelijk vastgelegd dat er een voorwaardelijke financiële verplichting geldt voor kleine woningbouw initiatieven, waarmee ze doorgang kunnen vinden. Voor woningbouw initiatieven waarbij 5 of minder woningen worden gerealiseerd, geldt daarom een additionele richtlijn voor compensatie. Bij deze kleine woningbouw initiatieven wordt een financiële bijdrage als sloop compensatie aangeboden naast de mogelijkheden van fysieke onttrekking of compensatie middels het intrekken van harde plannen. Dit doen gemeenten via privaatrechtelijke overeenkomsten (anterieur), middels artikel 6.24 Wro op basis van de SVWZL, de subregionale woningmarktprogrammering en of een locale Woon-visie/ Structuurvisie. De financiële compensatie wordt gebruikt ten behoeve van de verdunning en transformatie en herstructurering van de woningvoorraad. Dit financieel compensatie beleid wordt gekoppeld aan de subregionale woningmarktprogrammeringen en een sub-regionaal sloopfonds.

Indien gemeenten aanspraak willen maken op trekkingsrechten uit het subregionale transformatiefonds en daarmee te beslissen over de besteding van de gelden dient een gemeente de beleidsregel vast te stellen en toe te passen.

De via deze wijze verkregen bouwmogelijkheden hebben geen eeuwig leven. Woningbouwrechten verkregen via deze financiële compensatie mogelijkheid moeten binnen 3 jaar na onherroepelijk worden van het hieraan ten grondslag liggende planologische besluit of de omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Indien dit niet het geval is wordt binnen een jaar na afloop van deze termijn een procedure gestart om dit bouwrecht op te heffen (bijvoorbeeld via wijzigingsbevoegdheid). Er is geen sprake van restitutie.

Beoordeling

De te realiseren woning maakt onderdeel uit van het gemeentelijk woningbouwprogramma, aangezien één vrijstaande grondgebonden woning volgens de vigerende planologische regeling op de project locatie gebouwd kan worden. Er geldt géén financiële compensatie.

3.6. Welstandsbeleid

Bij besluit d.d. 14 april 2015 is de "Welstandsnota Brunssum 2015", zoals bedoeld in artikel 12a, eerste lid van de Woningwet, door de gemeenteraad van Brunssum vastgesteld. Deze "Welstandsnota Brunssum 2015" is op 14 mei 2015 in werking getreden.

De nieuwe welstandsnota bestaat uit twee delen: een algemeen welstandskader (deel A) en de uitwerkingen voor de 8 verschillende deelgebieden (deel B). In het welstandskader wordt het welstandsbeleid op hoofdlijnen weergegeven. Verder wordt aangegeven hoe de welstand in Brunssum georganiseerd is: wat is welstand, hoe verloopt de welstandsprocedure, wat zijn de wettelijke taken, hoe wordt gerapporteerd, etc. Een ander deel van het welstandskader wordt gevormd door een excessenregeling en een hardheidsclausule.

De welstandsnota bevat beleidsregels waarin criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

In de uitwerking van de Welstandsnota zijn per deelgebied criteria opgesteld waarin wordt aangegeven binnen welk kader nieuwe ontwikkelingen, aanpassingen of uitbreidingen mogelijk zijn. Deze criteria zijn opgesteld als sturend en stimulerend hulpmiddel en niet als een instrument om van alles te verbieden. Tevens zijn algemene criteria opgesteld voor ongebruikelijke projecten en de sneltoetscriteria voor kleine plannen die ambtelijk getoetst kunnen worden.

Beoordeling

De stadsbouwmeester heeft met inachtneming van de algemene criteria, de gestelde sneltoetscriteria en de gebiedsgerichte welstandscriteria (Jaren '50, '60, '70, '80 wijken) beoordeeld of het bouwplan op de project locatie Merkelbeekerstraat 45 voldoet aan redelijke eisen van welstand.

De stadsbouwmeester is van mening dat het bouwplan met zijn representatieve voorgevel en aandacht voor details past in deze omgeving. De stadsbouwmeester heeft het advies op 5 december 2019 afgegeven aan het College dat de woning qua uiterlijk en de plaatsing, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals bedoeld in artikel 12a onderdeel a van de Woningwet.

Conclusie

Volgens de stadsbouwmeester voldoet het bouwplan aan de welstandscriteria en daarmee aan de redelijke eisen van welstand. Het College heeft conform advies besloten op 9 december 2019.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1. Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Archeologie

Archeologie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Hiermee wordt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen geregeld: 'de verstoorder betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

De gemeente Brunssum beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en beleidskaart, waarop de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen zijn aangegeven. Deze is vastgesteld in de raadsvergadering van 1 oktober 2013 en op 6 november 2013 openbaar bekend gemaakt. Deze verwachtingskaart vervangt de eerder vastgestelde archeologische waardenkaart en deze oude waardenkaart is derhalve bij besluit van 1 oktober 2013 ingetrokken. Op 1 oktober 2013 is bovendien een nieuwe Erfgoedverordening vastgesteld en deze is eveneens op 6 november 2013 gepubliceerd. Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd.

Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart en de daarbij behorende tabel “Ondergrenzen Archeologisch onderzoeksplicht Parkstad” wordt beoordeeld of ten behoeve van een bepaalde ontwikkeling nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Bij grondverstorende activiteiten wordt op basis van deze kaart een advies uitgebracht door een ter zake bevoegde deskundige over de aard van het uit te voeren archeologische onderzoek. Dit kan een bureaustudie zijn eventueel gecombineerd met een inventariserend onderzoek. Indien er sprake is van archeologische waarden die als waardevol worden aangemerkt heeft de gemeente verschillende mogelijkheden. In de eerste plaats kan de gemeente bestemmingen kiezen die goed samengaan met de archeologische waarden. Ten tweede kan de gemeente voorschriften aan de vergunning verbinden. Ten slotte kan een gemeente ook afzien van verdere planvorming.

De archeologische verwachtingskaart kent de navolgende waarden:

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0041.png"

Beoordeling

Voor de uitvoering van het plan zijn bodem ingrepen noodzakelijk. De aanwezige archeologische verwachtingswaarde is dan ook relevant. Voor de project locatie geldt vanuit de archeologische verwachtingskaart deels de verwachting 'middelhoog' en deels de verwachting 'laag'. Op de navolgende figuren 4.1 en 4.2 is een uitsnede van deze kaart weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0042.png"

Figuur 4.1: uitsnede uit de archeologische verwachtingenkaart

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0043.png"

Figuur 4.2: uitsnede uit de archeologische verwachtingenkaart

In regels is opgenomen in welke gevallen een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Uitgangspunt daarbij is de tabel “Ondergrenzen Archeologisch onderzoeksplicht Parkstad” waarin per waarde is aangegeven bij welke maximale verstoringsdiepte en maximale oppervlakte van de bodem ingreep een onderzoeksplicht van toepassing is. In de regeling is verder een onderscheid gemaakt tussen bouwen, andere werken en werkzaamheden (aanleggen) en slopen. Tevens is een algemene regeling opgenomen om waarde 4 te wijzigen in een andere waarde dan wel de archeologische verwachtingswaarde volledig te schrappen.

Op basis van de archeologische verwachtings- en beleidskaart is te zien dat voor de project locatie deels een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt (donker gekleurde deel in het groene vlak = westelijk deel van de project locatie) en deels een lage archeologische verwachtingswaarde (licht gekleurde deel binnen het groene vlak = oostelijk deel van de project locatie). Op basis van de verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht, te weten:

  • bij ontwikkelingen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter (middelhoge verwachtingswaarde);
  • bij ontwikkelingen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 centimeter (lage verwachtingswaarde).

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0044.png"

Figuur 4.3: scheiding archeologische verwachting op project locatie (licht - laag en donker middelhoog)

De totale project locatie heeft een omvang van 2.616 m2. Voor beide delen van de project locatie bedraagt de bodem ingreep minder dan de onderzoeksgrens volgens de archeologische verwachtingswaarde en hoeft een archeologisch onderzoek derhalve niet uitgevoerd te worden.

Wel geldt te allen tijde, dat op het moment van graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, de wettelijke plicht deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Brunssum).

Conclusie

Het aspect archeologie staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling op de project locatie niet in de weg.

4.1.2 Cultuurhistorie

Onderscheiden worden wel materieel (onroerend en roerend) en immaterieel erfgoed. Cultureel erfgoed wordt van belang geacht omdat het huidige generaties een beeld geeft van het verleden en kan bijdragen aan de culturele identiteit.

Beoordeling

De project locatie is op dit moment onbebouwd en er bevinden zich in de directe omgeving van de project locatie in cultuurhistorisch opzicht een beperkt aantal waardevolle gebouwen en/of waardevolle gebieden.

Aan de Merkelbeekerstraat 89, ten westen van de Buitenring Parkstad bevindt zich een rijksmonument (voormalige boerderij - hoeve - roze punt) en een drietal cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken (blauwe punten). Ten oosten van de project locatie bevinden zich twee beeldbepalende woonhuizen (Merkelbeekerstraat 37 en 39 - blauwe punten). Gelet op de afstand van deze gebouwen ten opzichte van de project locatie hoeft bij de beoogde ontwikkeling van de project locatie hier geen rekening mee te worden gehouden. Het beschermd dorpsgezicht van Brunssum ligt op grote afstand van de project locatie. Zie figuur 4.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0045.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0046.png"

Figuur 4.4: geografisch lijnelement Merkelbeekerstraat (bron: atlas provincie Limburg - geografie)

De Merkelbeekerstraat zelf wordt aangemerkt als een cultuurhistorisch geografische lijn (weg ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwse verkaveling). Het oorspronkelijke geografisch tracé van de Merkelbeekerstraat is niet meer aanwezig. De Merkelbeekerstraat ter plaatse van de project locatie is ingericht als een woonstraat en bovendien is door de aanleg van de Buitenring Parkstad het oorspronkelijk wegtracé onderbroken.

Conclusie

Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle element (meer) aanwezig in de directe omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Het aspect cultureel erfgoed staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling op de project locatie niet in de weg.

4.2. Bodem

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodem verontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodem verontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.

Milieukundig bodemonderzoek

Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (conform NEN 5740) door BKK Bodemadvies bv op de locatie Merkelbeekerstraat 45. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de bodem en grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigingen bevat die schadelijk zijn voor de volksgezondheid en/of het milieu in het algemeen en zodoende een belemmering of beperking kunnen vormen voor beoogde ontwikkeling.

Het eerste deel van het milieukundig bodemonderzoek, betreft het historisch onderzoek. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Beoordeling

De ontwikkeling maakt bebouwing (vrijstaande woning) met de aanleg van een tuin en zwembad mogelijk op een voor wonen bestemd perceel. Het volledige onderzoek op de project locatie is als bijlage 2 toegevoegd. Hieronder zijn de resultaten en aanbevelingen uit het onderzoek kort samengevat.

Vooronderzoek

Uit het vooronderzoek worden de volgende conclusies getrokken:

  • De onderzoekslocatie is braakliggend en omgeven door bomen.
  • Op basis van de historische kaarten, archief en voorgaande bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat er in het verleden bebouwing op de onderzoekslocatie aanwezig is geweest.
  • Alle opstallen binnen de locatie zijn gesloopt en alle sloopresten zijn van de locatie verwijderd.
  • Voor de onderzoekslocatie zijn in het verleden een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd. Tijdens deze onderzoeken zijn plaatselijk bij de ondergrondse huisbrandolietank en de oprit puinbijmengingen aangetroffen die analytisch resulteren in een ten opzichte van de streefwaarde verhoogd lood en zink gehalte. Minerale oliecomponenten zijn hier niet waargenomen. Op het overige terrein zijn destijds zowel in de bóven- als ondergrond geen ten opzichte van de streefwaarde verhoogde gehaltes aan geanalyseerde componenten aangetoond.
  • Conform de bodembeheernota van de gemeente voldoet de bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond aan de klasse Wonen.
  • Er wordt geen freatisch grondwater binnen een diepte van 5 m-mv verwacht.
  • Tijdens de terreininspectie zijn geen waarnemingen gedaan die leiden tot een verdachte locatie. Dit geldt ook voor asbest.
  • Voor de onderzoekslocatie is de strategie “onverdacht” aangehouden ook voor asbest.

Verkennend bodemonderzoek

Asbest

Op het terrein/maaiveld van de onderzoekslocatie zijn geen asbest verdachte (plaat)materialen aangetroffen. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. Analytisch onderzoek heeft aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging met asbest in de te onderscheiden funderings- en bodemlagen. De hypothese ‘asbest onverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie aanvaard.

Grond

De bovengrond is licht verontreinigd met kobalt en nikkel. In de ondergrond zijn geen verontreiniging aangetoond.

Grondwater

Het grondwateronderzoek is komen te vervallen omdat het freatisch grondwater dieper zit dan 5 m-mv.

Toetsing hypothese

De hypothese ‘onverdachte locatie’ voor de onderzoekslocatie wordt door de onderzoeksresultaten in principe verworpen, vanwege de aanwezigheid van een lichte verontreiniging met kobalt en nikkel.

Volgens de Regeling bodemkwaliteit wordt indicatief echter voldaan aan de klasse Achtergrondwaarde (altijd toepasbaar).

Aanbevelingen

Er bestaan geen milieuhygiënische belemmeringen ten aanzien van de beoogde planontwikkeling (nieuwbouw woning met zwembad). Er zijn geen redenen voor een aanvullend onderzoek.

Voor het elders toepassen van boven- en/of ondergrond die vrijkomen bij graafwerkzaamheden zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief is hier sprake van Achtergrondwaarde. Met voorliggende resultaten kan deze vrijkomende (overtollige) grond worden aangeboden aan een BRL 9335 erkende acceptant, mits de af te voeren grond ook voldoet aan het Tijdelijke Handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie. Dit Tijdelijke Handelingskader PFAS is op 8 juli 2019 uitgebracht door het ministerie van Infrastructuur en Water.

Met de uitvoering van het onderhavige bodemonderzoek is met het Tijdelijke Handelingskader PFAS geen rekening gehouden, omdat er volgens de opdrachtgever geen grond wordt afgevoerd. Mocht er alsnog grond vrijkomen welke afgevoerd dient te worden, dan dient deze eventueel (indicatief) te worden onderzocht op PFAS, dan wel kan er een AP04 keuring met PFAS-onderzoek plaatsvinden, voor de afzet / hergebruik van de grond.

Conclusie

Vanuit het aspect bodem zijn er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aanwezig ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.3. Natuur en ecologie

Regelgeving

Het natuurbeschermingsbeleid en de wet- en regelgeving op het gebied van flora en fauna kennen twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht alsmede in werking getreden het bijbehorende Besluit natuurbescherming (hierna: Bnb) en de Regeling natuurbescherming (hierna: Rnb). Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.

De bescherming van de natuur is daarmee in Nederland dus wettelijk vastgelegd in de Wnb. De Wnb bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wnb voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot voormelde actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden.

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, om de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingsprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid.

Gelijktijdig met de in werking treding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet met overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag.

De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland (NNN), bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn.

De provincies kunnen voor de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland, de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen zorgdragen door die gebieden op te nemen in de provinciale ruimtelijke verordeningen door daarin te bepalen dat die in de door de gemeente vast te stellen bestemmingsplannen dienen te worden beschermd. Voor de Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden voorziet de Wnb zelf in verschillende beschermingsregimes, waaronder een vergunningenregime, een toetsingsregime voor (bestemmings)plannen aan de zorgplicht, het programma en het beheerplan. Het aanwijzen van andere soorten natuurgebieden is op grond van deze Wnb niet uitgesloten.

Artikel 1.12, lid 2 Wnb ziet op het tot stand brengen en het in stand houden van het Natuur Netwerk Nederland. Dit netwerk stond voorheen bekend onder de benaming 'Ecologische hoofdstructuur (EHS)'. Het Natuur Netwerk Nederland is zowel voor de soortenbescherming als voor de gebiedsbescherming van belang. In het Natuurpact zijn de afspraken vastgelegd tussen de rijksoverheid en de provincies over de omvang van het netwerk. De gebieden die tot dit netwerk behoren zijn inmiddels door de provincies als zodanig aangewezen. Deze gebieden gelden op grond van het overgangsrecht, (artikel 9.11 Wnb) als gebieden die behoren tot het natuurnetwerk Nederland.

Zowel de Wnb als het Barro bevatten bepalingen die gericht zijn op de aanwijzing en de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland. Opgemerkt moet worden dat deze regelingen niet eenduidig zijn als het gaat om het bestuursorgaan dat bevoegd is om tot aanwijzing te besluiten.

Uitgangspunt voor bestemmingsplannen waarin gebieden zijn begrepen die behoren tot het Natuur Netwerk Nederland is dat deze geen mogelijkheden mogen bieden voor ruimtelijke ontwikkelingen die (per saldo) een significante aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en/of kenmerken en/of een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden en/of van de samenhang tussen die gebieden. Alleen als sprake is van een groot openbaar belang én er geen reële alternatieven zijn én mits de negatieve effecten worden gecompenseerd kan van dit uitgangspunt worden afgeweken.

Provincies en gemeenten zijn voorts bevoegd om het beschermingsregime verder te laten reiken dan de gebieden die behoren tot dit netwerk. Het gaat dan om ingrepen die weliswaar buiten die gebieden plaatsvinden maar die wel gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke waarden en kenmerken ervan. Ook al is een dergelijk aanvullend beschermingsregime niet van kracht dan nog dient een ruimtelijke ingreep die plaatsvindt buiten de begrenzing van het natuurnetwerk beoordeelt te worden of die zich al dan niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening.

In navolgende paragrafen zal de toetsing van het voornemen plaatsvinden aan enerzijds de gebiedsbescherming. en anderzijds de soortenbescherming.

4.3.1 Gebiedsbescherming
4.3.1.1 Natura 2000-gebieden

De Wnb heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Het hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Voor de Natura 2000-gebieden zijn vanuit het Rijk instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten.
  • De provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen. De provincie Limburg heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan 2020 (nieuw ontwerp in 2022). Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Daarnaast staan in het beheerplan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Als door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

4.3.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied

De project locatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Brunssummerheide”, bevindt zich op circa 2,6 kilometer afstand ten zuidoosten van de project locatie. Zie figuur 4.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0047.png"

Figuur 4.5: overzicht Natura 2000-gebied Brunssumerheide ten opzichte van de project locatie - Bron: atlasleefomgeving.nl)

De Wnb vereist dat er bij mogelijke milieueffecten een voortoets (met stikstofdepositieberekening) wordt uitgevoerd om te bepalen of de beoogde ontwikkeling een negatieve invloed kan hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De provincie Limburg is het bevoegd gezag om te bepalen of een voortoets naar de milieueffecten daadwerkelijk noodzakelijk is

Gesteld kan worden, dat gezien de afstand van de project locatie alsmede de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de planontwikkeling, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, geen significante gevolgen zal hebben voor het Natura 2000-gebied Brunssumerheide. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied.

Uit een "voortoets" onderzoek zal moeten blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde zijn:

  • Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.
  • Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechteringstoets.
  • Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.

4.3.1.3 Stikstofdepositie tijdens gebruiksfase

De uitstoot van stikstof veroorzaakt mogelijk negatief effect. Voor de planontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofuitstoot ten behoeve van de gebruiksfase. Omdat de nieuwe woning gasloos zal zijn, zijn er géén gebouwemissies. Qua stikstofdepositie zijn daarom alleen de verkeersbewegingen relevant. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is aansluiting gezocht bij CROW-publicatie 381. Zie tevens paragraaf 4.4.1.

4.3.1.4 Stikstofdepositie tijdens aanlegfase

Voor de aanlegfase (bouwrijpfase en bouwfase met mobiele werktuigen op de planlocatie en verkeersbewegingen van werk- en bouwverkeer) zijn ook berekening uitgevoerd.

Op basis van verschillende recente woningbouwprojecten is uitgegaan van een gemiddelde emissie van 1,82 kg NOx voor de gebouwde woning. Dit is inclusief bouw- en woonrijp maken. Deze emissie zal naar verwachting in de loop der jaren gestaag dalen als gevolg van de snelle innovatie die momenteel plaatsvindt met betrekking tot woningbouw nabij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Qua verkeersbewegingen gaat het op basis van dezelfde recente projecten om 4 lichte en 4 zware verkeersbewegingen per woning, inclusief bouw- en woonrijp maken. Deze waarden zijn ingevoerd in AERIUS Calculator als vlakbron (mobiele werktuigen) respectievelijk lijnbron (verkeer) met als rekenjaar 2022.

Daarbij is nog het volgende op te merken: inmiddels heeft de tweede kamer (17 december 2020) en de eerste kamer (9 maart 2021) de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Bsn) aangenomen, waarvan de inwerkingtreding heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021.

Wsn en Bsn

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7, lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) met aanwijzing in het nieuwe artikel 2.5 van het Bnb. Deze partiële vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura 2000-gebieden.

Wat valt onder de vrijstelling:

  • het bouwen en slopen van een bouwwerk;
  • het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein;
  • de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats).

“Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten. Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit.” (citaat uit paragraaf 5.4 Nota van Toelichting Bsn).

Gemotiveerd wordt dat de partiële vrijstelling, gelet op tijdelijkheid van emissies van activiteiten van de bouwsector (bouwfase), in het licht van de effectiviteit van de structurele aanpak het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in de weg staat. Bij de vormgeving van de partiële vrijstelling is rekening gehouden met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Die stelt dat een partiële vrijstelling voor tijdelijke deposities door de bouwsector verdedigbaar kan zijn in het licht van een geloofwaardig en effectief pakket van maatregelen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen van de desbetreffende Natura 2000-gebieden en om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten in het desbetreffende gebied niet verslechtert. Daaraan wordt invulling gegeven met het pakket aan natuur- en bronmaatregelen en met de waarborgen die in de Wsn zijn opgenomen, waaronder een resultaatsverplichting en de monitorings- en bijsturingssystematiek.

Resultaten AERIUS-berekeningen

Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat zowel bij de aanlegfase als in de definitieve gebruiksfase van de woning nergens binnen een Natura 2000-gebied sprake is van een depositie groter dan 0,00 mol/ha/jr.

De berekeningen zijn opgenomen in een separate bijlage 3 en toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.

Conclusie

Een vergunning in het kader van de Wnb (gebiedsbescherming) is gelet op het voorgaande in het kader van de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling niet noodzakelijk.

4.3.1.5 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd;
  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee;
  • alle Natura 2000-gebieden.
  • De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen.

Het Nationaal Natuurnetwerk van het Rijk (geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ 1990) is op provinciaal niveau vastgelegd. In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. Deze zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg.

De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. De zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel deel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Limburg de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0048.png"

Figuur 4.6: situering Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van de project locatie (bron: planviewer provincie Limburg)

Beoordeling

De project locatie maakt geen deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNN bevindt zich op circa 230 meter ten westen van de project locatie en ten westen van Buitenring Parkstad gesitueerd. Zie figuur 4.6. Externe effecten op het Natuurnetwerk Nederland zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling uit te sluiten. Het afwegingskader van de Omgevingsverordening Limburg is niet van toepassing.

Conclusie

De ontwikkeling op de project locatie zal het NNN niet in omvang verkleinen. Een effectenonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.3.1.6 Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden.

De Wet natuurbescherming beschermt bos (alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal 10 are) en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden').

Beoordeling

De beplanting op de project locatie valt niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming.

4.3.2 Soortenbescherming

Het hoofdstuk "Soorten" in de Wnb heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen.

Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

  • vogels met een jaarrond beschermde nestplaats;
  • overige inheemse broedvogels;
  • soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn;
  • nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling;
  • nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft.

Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Beoordeling

Op de project locatie zijn een deel van de grond- en bouwwerkzaamheden al uitgevoerd alvorens de bouwwerkzaamheden zijn stilgelegd vanwege de uitspraak van de rechtbank. Het betreft het achterste gedeelte van het bouwperceel waar het zwembad met bijbehorend bouwwerk al is aangelegd/gebouwd en een deel van de tuin is aangelegd/ingericht. Voor het voorste en middelste deel van het perceel dienen de grond- en bouwwerkzaamheden nog verder uitgevoerd te worden. Op deze delen van het bouwperceel is geen beplanting meer aanwezig en is het terrein ongeschikt voor beschermde soorten (flora en fauna) wegens het ontbreken van geschikte habitat. Zie de afbeeldingen bij figuur 4.7 (oorspronkelijke situatie) en 4.8 (huidige situatie)

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0049.png"

Figuur 4.7: foto van project locatie (oorspronkelijke situatie)

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0050.png"

Figuur 4.8: foto's van project locatie (huidige situatie)

Tijdens en na het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling zal de project locatie deel uitmaken van het leefgebied van algemeen voorkomende soorten. Ten aanzien van deze soorten worden geen verbodsbepalingen overtreden.

Wel dient te allen tijde rekening te worden gehouden met het broedseizoen bij de uitvoering van werkzaamheden. Het verwijderen van nog aanwezig groen en het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient zoveel mogelijk plaats te vinden buiten het broedseizoen. Globaal kan hiervoor de periode maart tot en met half augustus worden aangehouden.

Conclusie

De ontwikkeling op de project locatie kan worden uitgevoerd, mits een omgevingscheck voorafgaand aan de werkzaamheden wordt uitgevoerd en eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen worden toegepast/nageleefd. Te weten:

  • Broeden op ongewenste locaties voorkomen door voorafgaand aan het broedseizoen begroeiing te verwijderen (indien deze toch verwijderd moet worden).
  • Bij voorkeur de werkzaamheden starten voorafgaand aan het broedseizoen, deze kunnen vervolgens doorlopen tot in het broedseizoen. Storingsgevoelige soorten vestigen zich in dat geval niet in de invloedssfeer van de werkzaamheden.

Daarnaast dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.

4.4. Verkeer en parkeren

4.4.1 Verkeer

De aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg heeft voor grote plaatselijke verandering gezorgd in het verkeersaanbod op diverse wegen binnen de gemeente. Brunssum. Ontsluitingswegen worden nu anders belast dan voorheen en sommige zijn hun functie als onderdeel van het hoofdwegennet verloren. De functie en vormgeving van deze wegen en kruispunten zijn als gevolg hiervan heroverwogen. Op onderstaande figuur 4.9 is de Buitenring Parkstad aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0051.png"

Afbeelding 4.9: verkeerstructuur in de nabijheid van de project locatie (bron: Goudappel Coffeng)

Het gemeentelijk wegennet haakt aan op de Buitenring Parkstad en heeft alleen nog een ontsluitende functie voor de Brunssumse wijken, inclusief het centrum. De aansluitingen op de Buitenring zijn van invloed op de verkeersstromen binnen de regio Parkstad-Limburg, waarbij interne regionale verbindingen bij voorkeur moeten verlopen via een radiaalstelsel tussen Buiten- en Binnenring. Een optimalisatiestudie wordt op Parkstadniveau uitgevoerd.

Brunssum streeft naar een duidelijk onderscheid in wegenstructuur en bijbehorende functies:

  • 1. regionale ontsluitingsweg ten behoeve van doorgaand verkeer (Buitenring). De Buitenring maakt onderdeel uit van de majeure ontwikkelingen voor Brunssum;
  • 2. hoofdontsluitingswegen (stroomfunctie voor gemeentelijk bestemmingsverkeer);
  • 3. goede bereikbaarheid van het centrum met voldoende parkeermogelijkheden (radiaal- structuur);
  • 4. 30 km/uur zones in woonbuurten ter versterking van de leefbaarheid en tegengaan van verkeershinder.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0052.png"

Figuur 4.10: verkeerstructuur in de nabijheid van de project locatie (bron: Goudappel Coffeng)

De Merkelbeekerstraat is vanwege de aanleg van de Buitenring Parkstad aangepast en omgeleid. De oorspronkelijke Merkelbeekerstraat doorkruist het tracé van de Buitenring Parkstad. Nu is de weg omgeleid via een viaduct over de Buitenring Parkstad op zo'n 100 meter ten noorden van de bestaande Merkelbeekerstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0053.png"

Figuur 4.11: projectie omlegging Merkelbeekerstraat

Gemotoriseerd verkeer

De project locatie is bereikbaar via de Merkelbeekerstraat. De Merkelbeekerstraat zelf is een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/uur. De aanhakende woonstraten op de Merkelbeekerstraat behoren tot de 30 km/uur van de woonbuurten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0054.png"

Figuur 4.12: de Merkelbeekerstraat met snelheidsregime

Richting het oosten sluit de Merkelbeekerstraat via een rotonde aan op de Kennedylaan om in zuidelijke richting aan te haken op de Europalaan en noordelijke richting via de Haefland op de Prinshendriklaan. In oostelijke richting sluit de Merkelbeekerstraat op de Kerkstraat richting het centrumgebied van Brunssum. In noordwestelijk richting komt de Merkelbeekerstraat via een viaduct over de Buitenring Parkstad terug op het bestaande tracé van de Merkelbeekerstraat ten westen van de Buitenring Parkstad richting de Kling, Merkelbeek en Douvergenhout.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0055.png"

Figuur 4.13: ontsluitingsstructuur van en naar de project locatie

Langzaam verkeer

De Merkelbeekerstraat kent conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig een gemengde verkeersafwikkeling. De fietser heeft een eigen plaats op de weg door middel van fiets stroken. Verder zijn overal trottoirs aanwezig voor voetgangers. De project locatie is daardoor goed en veilig bereikbaar voor langzaam verkeer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0056.png"

Figuur 4.14: inrichting van de Merkelbeekerstraat in nabijheid van de project locatie (bron: google maps)

Openbaar vervoer

Op korte loopafstand van de project locatie (370 tot 400 meter) liggen in de directe nabijheid van de rotonde Kennedylaan/Merkelbeekerstraat bushaltes. De project locatie is goed bereikbaar met openbaar vervoer.

Verkeersgeneratie en -afwikkeling

De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling kan berekend worden aan de hand van landelijke kencijfers. Deze kencijfers zijn vastgelegd in publicatie 381 (CROW december 2018). De planontwikkeling voorziet in 1 vrijstaande woning met een verkeersgeneratie van 5 motorvoertuigen per weekdagetmaal voor de woning.

 

Beoordeling

De ontsluiting van het plangebied voor alle vervoersmodaliteiten is goed. De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling leidt niet tot een dusdanige toename van verkeer op de Heerweg op basis waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat dit problemen zou opleveren ten aanzien van de verkeersbelasting/ verkeersafwikkeling.

Conclusie

Het aspect verkeer staat de ontwikkeling op de project locatie niet in de weg.

4.4.2 Parkeren

Voor wat betreft het benodigd aantal parkeerplaatsen dient de ontwikkeling te voldoen aan de parkeernormen zoals die zijn opgenomen in bijlage 2 van de beheersverordening 'Woongebieden'. Voor de functie vrijstaande grondgebonden gezinswoning geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per woning.

Op de project locatie wordt in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein. Het bouwplan op de project locatie voorziet in een ondergrondse parkeergarage met ruimte voor de stalling van tenminste 2 motorvoertuigen. Daarnaast is er nog ruimte om te parkeren op de inrit naar de ondergrondse parkeergarage (lengte circa 12 meter). Daarnaast is het toegestaan ter plaatse van de project locatie op de openbare weg te parkeren.

Conclusie

De parkeerbehoefte behorende bij de planontwikkeling kan volledig opgevangen worden op eigen terrein en in het openbaar gebied. Het aspect parkeren vormt géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de project locatie.

De definitieve parkeertoets en daadwerkelijke invulling vindt plaats aan de hand van de ingediende omgevingsvergunningaanvraag die getoetst wordt aan het gemeentelijke parkeer(normen)beleid.

4.5. Geluid

Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.

Regelgeving

De Wet geluidhinder (hierna: Wgh), de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang.

Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen/functies dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen (geluidgevoelige objecten) worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:

  • wegverkeerslawaai;
  • railverkeerslawaai;
  • industrielawaai;
  • vliegtuiglawaai.

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wgh. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet.

De Wgh kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden.

4.5.1 Wegverkeerslawaai

Voor het wegverkeerslawaai is de Wgh het wettelijke kader. In deze wet is onder ander vastgelegd welke geluidniveaus op de gevel van nieuwe woningen, ten gevolge van wegverkeer, maximaal toelaatbaar zijn. In beginsel geldt dat de geluidsbelasting op nieuwe woningen niet meer mag bedragen dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB).

Op basis van artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken de waarden als bedoeld in de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie.

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Tabel: breedte van geluidzones langs wegen

Soort gebied   Aantal rijstroken   breedte geluidzones (m)  
Stedelijk   1 of 2   200  
Stedelijk   3 of meer   350  
Buitenstedelijk   1 of 2   250  
Buitenstedelijk   3 of 4   400  
Buitenstedelijk   5 of meer   600  

Beoordeling

De project locatie ligt binnen de wettelijk vastgestelde zone van de N300 (Buitenring Parkstad) alsmede de geluidgezoneerde Merkelbeekerstraat. De breedte van de geluidszone van de N300 bedraagt 400 meter en voor de Merkelbeekerstraat 200 meter.

Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient op grond van de Wgh nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt.

Ten behoeve van de aanleg van de Buitenring Parkstad is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is de toekomstige geluidsbelasting op de bestaande woningen gesitueerd in de wettelijk geluidszone van deze weg beoordeeld. daartoe behoorden ook de bestaande woningen gesitueerd aan de Merkelbeekstraat. Om deze wegen een verantwoord woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is aan ten zuiden van de Buitenring Parkstad (richting het woongebied van Brunssum) zijn geluidwerende voorzieningen aangebracht. te weten:

Voorziening   Hoogte   Lengte   Inpassing  
Cluster 10
Europalaan - Merkelbeekerstraat (Brunssum)  
4 meter   620 meter   transparant scherm (hoogte ten opzichte van de rand weg)  
Cluster 54
Europalaan - Merkelbeekerstraat (Brunssum)  
5 meter   730 meter   steile wand met talud met wal op talud (hoogte t.o.v. bovenkant talud)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0057.png"

Figuur 4.15: geluidswal naast de Buitenring Parkstad ter hoogte van Merkelbeekerstraat (bron: google maps)

De nieuwste verkeersprognoses laten zien dat naar verwachting in 2030 er minder verkeer over de Merkelbeekerstraat rijdt (837 voertuigen/etmaal) dan in 2010 werd geprognosticeerd voor het jaar 2025 (1.496 voertuigen/etmaal). Dit betekent dat per saldo ook de geluidbelasting vanwege het verkeersaanbod op de Merkelbeekerstraat zal afnemen. Het referentiewegdek betreft fijn asfalt.

Op basis van de opgevraagde verkeersgegevens bij de gemeente bedraagt de intensiteit ter plaatse van de project locatie uitgaande van 1% autonome groei 1.860 mvt/etmaal in 2032 (10 jaar na plandatum) en is de 48dBA contour inclusief 5 dB aftrek art. 110g Wgh en op 4,5 meter hoogte gesitueerd op maximaal 29 meter uit het hart van de Merkelbeekerstraat. Zie afbeelding hieronder alsmede bijlage 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0058.png"

Met de beoogde projectie van het hoofdgebouw, verder naar achter gesitueerd ten opzichte van de voorgevelrooilijn van de naastliggende gebouwen, wordt voldaan aan de 48 dB voorkeursgrenswaarde met betrekking tot de toelaatbare geluidsbelasting aan de gevel, ten behoeve van een verantwoord woon- en verblijfsklimaat.

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.5.2 Railverkeerslawaai

Net als wegverkeerslawaai en geluid vanwege (gezoneerde) industrieterreinen wordt railverkeerslawaai gereguleerd door de Wgh.

Beoordeling

Binnen de project locatie of in de directe omgeving daarvan zijn geen spoorlijnen gelegen waarmee bij de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie rekening dient te worden gehouden vanwege het aspect railverkeerslawaai.

Conclusie

Een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai kan achterwege blijven. Het aspect railverkeerslawaai levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.5.3 Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wgh is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met een dergelijke zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

Beoordeling

De project locatie is niet gesitueerd in een bij een industrieterrein behorende wettelijke geluidzone vanwege de aanwezigheid van geluidgezoneerde inrichtingen.

Conclusie

Het aspect industrielawaai levert dan ook geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.5.4 Luchtverkeerslawaai

De normstelling in wet- en regelgeving is het resultaat van een afweging tussen belangen van gezondheid (incl. hinder) en vliegverkeer. De normstelling voor een militair vliegverkeer wordt uitgedrukt in de Kosteneenheid (Ke). De kosteneenheid is een eenheid om geluidsbelasting te kwantificeren. De belangen van defensie zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In het Barro is geregeld dat de beperkingengebieden zoals opgenomen in de Luchtvaartwet (de Luchtvaartwet wordt stapsgewijs vervangen door de Wet Luchtvaart) en de Wet geluidhinder in acht genomen moeten worden.

Beoordeling

In het kader van de Wet Geluidhinder is het militaire luchtvaartterrein Teveren/Geilenkirchen gezoneerd. De project locatie is niet gelegen binnen de Ke-contouren van vliegveld Teveren/Geilenkirchen. Derhalve gelden ten aanzien hiervan geen beperkingen voor de voorgestane ontwikkelingen. Zie figuur 4.16.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0059.png"

Figuur 4.16: 35-KE zone van vliegbasis Geilenkirchen met project locatie (rode ster)

Conclusie

Een akoestisch onderzoek naar luchtverkeerslawaai kan achterwege blijven. Het aspect luchtverkeerslawaai levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.5.5 Inrichtingslawaai

Verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting kan ook indirecte hinder met zich meebrengen. Het gaat hierbij om geluidhinder die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de inrichting, maar die wel aan de inrichting is toe te rekenen. Het betreft bijvoorbeeld geluidsbelastingen als gevolg van parkeerbewegingen (met name dichtslaan portieren) en laad- en losactiviteiten.

Beoordeling

De te realiseren parkeervoorzieningen op eigen terrein zijn geen bedrijfsmatige activiteit of een inrichting.

Conclusie

Een akoestisch onderzoek naar inrichtingslawaai kan achterwege blijven. Het aspect inrichtingslawaai levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.6. Luchtkwaliteit

Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

Regelgeving

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het beleid en normstelling voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

AMvB - "niet in betekenende mate"(nibm)

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ( = 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

De reden hiervoor is dat er in het NSL voldoende maatregelen zijn opgenomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren. Projecten die wel “in betekende mate” (ibm) bijdragen zijn vaak al opgenomen in het NSL. Het NSL is er op gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatie specifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd.

Als een project ibm is en niet is opgenomen in het NSL, kan projectsaldering worden toegepast. Dit is uitgewerkt in de ministeriële regeling “projectsaldering luchtkwaliteit 2007”. Dit betekent dat bij het project zogenoemde 'onlosmakelijke maatregelen' worden genomen die de luchtkwaliteit verbeteren/niet verslechteren, of projectsaldering wordt toegepast. Saldering dient dan plaats te vinden in een gebied dat een functionele of geografische relatie heeft met het plangebied.

Beoordeling

Op de project locatie wordt 1 woning gerealiseerd. Een dergelijke separate projectontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de hierboven vrijgestelde situatie. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de project locatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Buitenring Parkstad. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen en onder maximaal toelaatbaar aantal overschrijdingsdagen PM10. Bij rekenpunt 16015021 bedraagt de uitstoot voor NO2 (16.869), PM10 (17.417) en PM2,5 (10,969) en het aantal overschrijdingsdagen (6,116). Hierdoor is er ter plaatste van de project locatie sprake van een aanvaardbaar verblijf- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0060.png"

Figuur 4.17: bijdrage op de Buitenring Parkstad ter hoogte van rekenpunt 16015021 )rode punt) ter hoogte van de project locatie (bron: nsl-monitoring)

NIBM tool

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is bepaald op 5 motorvoertuigen mvt/etmaal (5 bewegingen voor personenwagens en 0% voor vrachtverkeer). Uit de berekeningen (NIBM-tool) met realisatie jaar 2022 blijkt dat de bijdrage NO2 0,01 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,00 µg/m³. Daarmee is aangetoond dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bij draagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. In figuur 4.18 is de berekening in de NIBM-tool weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0061.png"

Figuur 4.18: bijdrage verkeer NIBM-tool

Beoordeling

Op grond van bovenstaande bevindingen kan zonder luchtonderzoek worden vastgesteld dat de planontwikkeling voldoet aan de in de Wet milieubeheer vastgelegde luchtkwaliteitseisen. De ontwikkeling draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is ook geen sprake van negatieve gevolgen omtrent het aspect lucht in relatie tot gezondheid. De wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling op de project locatie niet in de weg.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling op de project locatie.

 

4.7. Milieuzonering

Algemeen

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

Regelgeving

Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld (Bedrijven en milieuzonering, VNG, editie 2009), waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden.

In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de categorieën ingedeeld. Voor het bepalen van de afstand tot woningen kan het gebied in twee typen worden ingedeeld, te weten 'rustige woonwijk / rustig buitengebied' of 'gemengd (buiten)gebied'. Bij gemengde gebieden wordt de hinder één categorie teruggebracht. In tabel 4.2 is een overzicht opgenomen van de categorisering ten opzichte van het gebied rustige woonwijk:

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0062.png"

De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0063.png"

Figuur 4.19: uitsnede van plankaart omgeving project locatie (rode ster) met woonfuncties (bestemming 'Wonen')

Beoordeling

In de ruime omgeving van de project locatie zijn geen bedrijven gesitueerd dan wel worden er bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd die effect kunnen hebben op het woon- en leefklimaat binnen de project locatie. De project locatie ligt midden een rustige woonwijk en wordt volledig omringt door woningen. In de directe omgeving zijn geen bedrijfsbestemmingen gelegen c.q. worden bedrijfsmatige activiteiten uitgeoefend die mogelijk hinder kunnen veroorzaken. Zie figuur 4.19.

Conclusie

Gezien het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

 

4.8. Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen of transport over de weg, spoor, water of door buisleidingen). Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

Het juridisch kader wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt).

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna: Bevt) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het Bevt vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrand- aandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:

  • 1. bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven;
  • 2. bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers.

Externe veiligheid algemeen

Bij externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6 en kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Zoals een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Bevi) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen.

Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (de kans dat een groep van 10, 100 of 1.000 personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen). Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0064.png"

Figuur 4.20: weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport

Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. In veel gevallen geldt tevens een 'verantwoordingsplicht', wat betekent dat naast de rekenkundige omvang van het groepsrisico, tevens rekening moet worden gehouden met risicoreducerende maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Op grond van artikel 13 Bevi dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Beoordeling

Vanuit de risicokaart (https:/risicokaart.nl) is beoordeeld of in de nabijheid van de planontwikkelingslocatie risicobronnen zijn gelegen, waarvan het invloedsgebied over de project locatie reikt.

Inrichtingen

Op en in de nabijheid van de project locatie zijn geen inrichtingen gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.

Buisleidingen

Blijkens de risicokaart zijn op de project locatie geen buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Ook zijn in de omgeving van de project locatie geen leidingen gelegen waarvan het invloedsgebied de project locatie overlapt.

Transportroute wegverkeer

Over de Buitenring Parkstad vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het gaat dan voornamelijk om bevoorrading van tankstations en het betreft transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. In het kader van de aanleg van de Buitenring Parkstad is onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid. Uit het onderzoek is gebleken dat ter hoogte van de project locatie de Buitenring Parkstad geen plaatsgebonden risico 10-6 contour aanwezig is. De plaatsgebonden risico 10-6 contour is de wettelijke grenswaarde waarbinnen op basis van de vigerende wetgeving geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn (zoals woningen, kantoren en scholen). Met andere woorden de realisatie van de nieuwe weg leidt niet tot sanering situaties van huidige bebouwing of beperkingen voor nieuwe bestemmingsplannen in het kader van externe veiligheid.

Bovendien bedraagt het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde.

Transportroute spoor of water

In de directe omgeving van de project locatie vindt geen vervoer plaats van gevaarlijke stoffen over het spoor of het water.

Overig

Binnen het plangebied komen geen inrichtingen voor die onder het Vuurwerkbesluit of de Circulaire Opslag Ontplofbare Stoffen Civiel Gebruik vallen.

Conclusie

Op de project locatie en/of in de directe nabijheid van de project locatie is geen inrichting en/of transportleiding voor gevaarlijke stoffen aanwezig met een plaatsgebonden risico-contour danwel een invloedsgebied waar mee rekening gehouden dient te worden..

Het aspect externe veiligheid vormt géén belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.9. Geur

4.9.1 Geurhinder: agrarisch

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.

Beoordeling

In de directe omgeving van de project locatie is geen (agrarische) bedrijvigheid aanwezig die (geur)hinder veroorzaakt. Afstanden van bestaande agrarische bedrijvigheid tot het plangebied zijn dusdanig groot dat overschrijdingen van de geurnormen uit te sluiten zijn. Voldaan wordt aan de minimale afstand tot veehouderijen van 200 meter (fokken en houden van varkens/pluimvee en nertsdieren) en 100 meter (fokken en houden van rundvee), zoals deze is opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’.

Conclusie

Het aspect ‘agrarische geurhinder’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling (geurgevoelige woonfunctie) op de project locatie.

4.9.2 Geurhinder: industrieel

Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn:

  • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
  • als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe;
  • de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De gemeente Brunssum heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.

Beoordeling

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gesitueerd met een relevante industriële geurcontour.

Conclusie

Het aspect ‘industriële geurhinder’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling (geurgevoelige woonfunctie) op de project locatie.

4.10. Water

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de voor de waterhuishouding van belang zijnde invloeden van de herontwikkeling op de project locatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.

Beleid

Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater. Het doel is dat al de wateren binnen de Europese Unie in 2015 in een 'goede toestand' verkeren. Bij het bepalen van een 'goede toestand' onderscheidt de KRW drie soorten water: natuurlijk; sterk veranderd; kunstmatig. De plannen voor de verbetering van de waterkwaliteit moeten van Brussel breed worden gedragen. De KRW verplicht de lidstaten tot de opstelling van (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen. Nadere informatie is te vinden op www.kaderrichtlijnwater.nl

Waterwet

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning.

Waterbeheer in de 21e eeuw

Na het hoge water van 1993, 1995 en de wateroverlast van de jaren daarna, was duidelijk, dat we anders met water om moeten gaan. Ons klimaat verandert en dit heeft gevolgen voor onze waterhuishouding. Het weer wordt extremer met korte maar hevige regenbuien, meer smeltwater dat via de rivieren ons land binnenkomt en stijging van de zeespiegel. Om te voorkomen dat dit ook tot meer wateroverlast leidt hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het Waterbeleid 21ste Eeuw ontwikkeld. De kern van het Waterbeleid 21ste eeuw is: water moet de ruimte krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het landschap en in de stad moet ruimte gemaakt worden om water op te slaan, bijvoorbeeld door het aanleggen van vijvers in woonwijken.

Provincie Limburg

Het Provinciaal Waterplan 2022-2027 is op 17 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die wij als Provincie de komende planperiode samen met onze partners willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit.

Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die de komende 6 jaar worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering als ook de verbetering van de waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer. Water.

Het Provinciaal Waterprogramma bevat bijlagen met informatie over waterkwaliteit, en doelen en doelbereik van de kaderrichtlijn water voor grond en oppervlaktewater. Het Provinciaal Waterprogramma bevat een 9-tal kaarten. Deze kaarten zijn raadpleegbaar via de provinciale kaartenviewer.

Het Provinciaal Waterprogramma werkt door in de provinciale Omgevingsverordening en in omgevingsvisie en plannen van gemeenten en het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg.

De milieubeschermingsgebieden ter bescherming van het grondwater zijn verdeeld in zones. Rondom de putten waaruit het grondwater wordt gewonnen ligt waterwingebied. Rondom het waterwingebied ligt het grondwaterbeschermings- gebied. In Midden Limburg komen er in de ondergrond afschermende lagen voor die voorkomen dat het dat het daaronder voorkomende grondwater wordt vervuild. Rond de winningen die water uit deze lagen onttrekken is een gebied aangewezen waar dergelijke kleilagen niet mogen worden aangetast (boringsvrije zones): de Roerdalslenk.
In deze boringsvrije zones (Roerdalslenk) gebieden is het behoud van de beschermende kleilaag van belang. Er gelden verbodsregels voor activiteiten als boren en graven waardoor de kleilaag beschadigd kan worden. Met speciale maatregelen is boren en graven soms wel toegestaan. Het doel hiervan is te verhinderen dat eventuele verontreinigingen de diepere waterlagen bereiken. 

In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van deze gebieden alsmede het al dan niet toestaan van bepaalde activiteiten en onder welke voorwaarden.

Waterschap Limburg

Het Waterbeheerplan 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg.

Met dit Waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor een toekomst- bestendig waterbeheer in Limburg; hoe invulling gegeven wordt aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Gestimuleerd wordt via de Watertoets het afkoppelen van regenwater onderdeel van te maken van duurzaam waterbeheer in ruimtelijke plannen. Uitgegaan wordt van de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden- schoonmaken. Door klimaat- verandering worden meer heftige buien en hitte verwacht. Daarnaast is er minder acceptatie van wateroverlast door grondgebruikers, inwoners en bedrijven. Meer ruimte voor water kan bijdragen aan:

  • meer waterveiligheid - minder wateroverlast bij heftige buien;
  • betere ontwikkeling van natuur en landbouw - door overstroming en verdroging tegen te gaan;
  • een betere woon- en leefomgeving - meer water(ruimte) in de stad, gecombineerd met groen en recreatie, biedt ruimte aan het opvangen, bergen, infiltreren en afvoeren van regenwater, zorgt voor verkoeling tijdens hittegolven en verhoogt de belevingswereld van water in de stad;
  • minder overbelasting van onze beken - door water langer in de stad en in zijwateren vast te houden, wordt voorkomen dat benedenstroom meer water komt dan de beken kunnen verwerken.

Keur

Een deel van het beleid van het waterschap ligt vast in de Keur (01-04-2019). De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit beken en andere wateren. Ook kent de Keur gebods- en verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of om watergangen, dijken en lijnvormige elementen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om water of dijken, heeft met de Keur te maken.

Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Het Waterschap Limburg hanteert voor het Heuvelland, waartoe de gemeente Brunssum behoert, een ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water van berging/infiltratie (eis T=100 - gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur.

Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 centimeter.

Het waterschap hanteert bij ver- en nieuwbouwplannen de volgende beleidsuitgangspunten in het kader van duurzaam omgaan met water:

  • 1. gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater: het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het lokaal verwerken van schoon hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet is om het vuile en schone water gescheiden aan te bieden op het gemengde (reeds aanwezige) rioolstelsel;
  • 2. doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer”: in aansluiting op het landelijke beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer” doorlopen;
  • 3. hydrologisch neutraal bouwen: nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de hydrologische situatie gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke gemiddelde hoogste grondwaterstand niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden;
  • 4. water als kans: water kan een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water (een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door veel mensen gewaardeerd);
  • 5. meervoudig ruimtegebruik: er moet ruimte voor water gecreëerd worden. Door ruimte voor 2 of meer doeleinden te gebruiken is het “verlies” aan m² als gevolg van toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo kan een flauw talud dat ruimte geeft voor buffering van water, gebruikt worden als onderhoudsstrook of voor recreatieve doeleinden;
  • 6. materiaalgebruik: bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilde stoffen toegevoegd worden aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor materiaalgebruik. Het gebruik van uitlogende of uitspoelbare bouwmaterialen wordt afgeraden.

Waterhuishoudkundige aspecten

Waterkeringen en -gangen

Door de afwezigheid van waterkeringen of watergangen op of in de directe nabijheid van de project locatie heeft de voorgenomen ontwikkeling geen effect op het watersysteem.

Oppervlaktewater

In of in de directe omgeving van de project locatie zijn geen waterpartijen of vijvers, noch beken of andere watergangen gelegen, waar in het kader van de planontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden.

Bodem

De project locatie ligt geologisch gezien (Tektonische kaart) in de Peelrandbreuk die ten noordoosten wordt begrensd door de Viersenbreuk en ten zuidwesten door de Feldbissbreuk. Beide breuken zijn noordwest gericht. De deklaag heeft in de omgeving van de project locatie een dikte van circa 10 meter en bestaat uit sterk zandige leem (Formatie van Twente). De regionale bodemopbouw in de gemeente Brunssum kan globaal als volgt worden geschematiseerd:

Tabel: Bodemopbouw en geohydrologische situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0065.png"

De maaiveldhoogte ligt op circa NAP +82 meter tot NAP +84 meter, waarbij de bodem bestaat uit zeer fijn zand. Het grondwater bevindt zich binnen het plangebied op circa NAP +76 - 80 meter, dit is tussen de 2 en 8 meter onder maaiveld.

Grondwater

Het grondwater in het eerste watervoerende pakket ma als freatisch worden beschouwd. De stijghoogte van het freatisch grondwater ter plaatse ligt op circa 70 meter + NAP. Het maaiveld ligt op circa 82,4 meter + NAP, zodat de grondwaterspiegel zich bevindt op een diepte van circa 12 mmv. De regionale grondwaterstroming van het freatisch grondwater stroomt in noordoostelijke richting.

Riolering

Hemelwater

Het hemelwater dat terechtkomt op de toekomstige bebouwing (dakverharding) en terreinverharding wordt beschouwd als schoon water indien geen uitlogende bouwmaterialen (zoals lood, koper, zink en zacht PVC) gebruikt worden.

Vanwege de aanwezigheid van leem in de ondergrond is gekozen voor een combinatie van geknepen afvoer en infiltratie van het hemelwater.

Vuilwater

Het huishoudelijk afvalwater van de woning wordt door middel van een aan te leggen vuilwateraansluiting aangesloten op het bestaande gemeentelijke gemengd rioolstelsel in de Merkelbeekerstraat en vervolgens afgevoerd richting de rioolwaterzuivering.

Conclusie

Vanuit het aspect water/waterhuishouding zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie.

4.11. Kabels en leidingen

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te aanzien van de beoogde woonfunctie op de project locatie is gekeken naar de ligging en eigenschappen van in de omgeving voorkomende kabels en leidingen en straalpaden. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot een gevoelige woonfunctie.

De planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensie brandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industrie watervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Beoordeling

Er zijn geen kabels en leidingen gesitueerd in of in de directe nabijheid van het project locatie die een mogelijke belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect kabels, leidingen en straalpaden staat de voorgenomen ontwikkeling op de project locatie niet in de weg.

4.12. Overige hinder

4.12.1 Lichthinder

Mens en dier kunnen last hebben van licht (kunstmatige verlichting), zoals dit voorkomt bij (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw bedrijven en sportterreinen. De effecten van kunstmatige verlichting zijn te onderscheiden in 3 soorten, te weten: hinder voor de mens, hinder/verstoring voor de natuur en horizonvervuiling.

De mate van hinder hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Dit is afhankelijk van de omgeving en aan de leefwijze van mens en dier.

Het Activiteitenbesluit regelt lichthinder en de bescherming van het donkere landschap grotendeels met de zorgplicht. Voor assimilatie belichting bij glastuinbouw en voor verlichting van sportterreinen gelden wel voorschriften.


Daarnaast beschermt de Wet milieubeheer de duisternis en het donkere landschap. Het beschermen van de duisternis en het donkere landschap valt daarmee ook onder de zorgplicht. Het bevoegd gezag kan met de zorgplicht maatregelen of voorzieningen voorschrijven. Dat kan alleen, als een object in een aangewezen gebied ligt. Dat wil zeggen: een gebied waarvoor het bevoegd gezag eisen heeft opgesteld om de duisternis of het donkere landschap te beschermen


Beoordeling

De project locatie is gesitueerd in een stedelijk gebied met de daarbij behorende licht productie/licht klimaat vanuit woningen en straatverlichting. De planontwikkeling (realisatie van een vrijstaande woning) betreft een toevoeging van een lichthinder gevoelige functie passend in de stedelijke omgeving. Er is ten aanzien van het aspect lichthinder, gezien de ligging in een stedelijk gebied, geen nader onderzoek nodig.

4.12.2 Trillingshinder

Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door:

  • verkeer over de weg of het spoor (bijvoorbeeld van vrachtwagens, trein of tram);
  • machines bij industrie (stansen, draaiende motoren, etc.)

Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt.

Beoordeling

De beoogde planontwikkeling betreft een toevoeging van een trillingsgevoelige functie (wonen). in de nabijheid van de project locatie bevinden geen bronnen of vinden dusdanige verkeerbewegingen (spoor of zwaar vrachtverkeer) plaats, waardoor rekening moet worden gehouden met het aspect trillingshinder.

Conclusie

Er is geen nader onderzoek nodig ten aanzien van het aspect trillingshinder. Het aspect trilling(hinder) vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de project locatie.

4.13. Beoordeling m.e.r.

Sinds september 2006 kent de Nederlandse m.e.r.-regelgeving de verplichting om bij een aantal ruimtelijke plannen en besluiten een m.e.r.- procedure te volgen. Dit is geregeld in de Wet milieubeheer met het hier aangekoppelde Besluit m.e.r.. Het doel van de m.e.r. is dat bij de besluitvorming het milieu een volwaardige plaats krijgt op basis van goede informatie.

(vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht

Voor een activiteit die is genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., moet eerst beoordeeld worden of het m.e.r.-plichtig is. Per activiteit zijn in de bijlage drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit zich qua omvang boven de drempelwaarde bevindt is een m.e.r.-beoordeling verplicht. Indien de activiteit zich qua omvang onder de drempelwaarde bevindt is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht.

De achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is.

In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2)

Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. Uit de toelichting op het Besluit m.e.r. en jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang, locatie en de milieugevolgen van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt nader ingegaan op deze aspecten.

Beoordeling

De woningbouw ontwikkeling op de project locatie past goed in het aanwezige stedelijke milieu en blijft ruim onder de drempelwaarde. De project locatie is bovendien ontsloten op de bestaande infrastructuur en is goed bereikbaar. De bestaande infrastructuur kan de huidige en de toekomstige verkeerscapaciteit en parkeer behoefte in voldoende mate opvangen.

Daarnaast voldoet het project voornemen aan de wettelijke normen wat betreft ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, natuur en waterhuishouding. Zie hiervoor de beschreven milieuaspecten in dit hoofdstuk.

Conclusie

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is er geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het besluit MER en behoeft er geen m.e.r.-procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen te worden.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

5.1. Omgevingsvergunning

Omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan

De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan/beheersverordening (zie hoofdstuk 1). Op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° van de Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening.

Onderhavige ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

Planopzet

Conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een (analoog en digitaal) besluitvlak van het planontwikkelingslocatie (= projectgebied) gemaakt (zie figuur 6.1) en bijlage 2.

Er zijn geen bouw- en gebruiksregels voor de project locatie gemaakt. De omgevingsvergunning (het besluit) -inclusief deze ruimtelijke onderbouwing- vormen de directe bouwtitel voor het bouwplan).

afbeelding "i_NL.IMRO.0899.Merkelbeekerstr45-ON01_0066.png"

Figuur 6.1: besluitgebied (besluitvlak) voor omgevingsvergunning

De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan (zie hoofdstuk 1). Op grond van artikel 2.12 Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening.

Deze ruimtelijke motivatie toont aan dat de beoogde ontwikkeling op de project locatie voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

Procedure

Bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is de uitgebreide Wabo-procedure van toepassing. Bij de uitgebreide procedure moet binnen 26 weken op een aanvraag worden beslist.

Bij afwijken van het bestemmingsplan moet de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgeven voordat het college van B&W op de aanvraag kan beslissen. Tevens zal de ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage komen te liggen, waarop eenieder een zienswijze kan indienen.

Tegen een omgevingsvergunning kan door belanghebbenden in twee instanties beroep worden ingesteld, eerst bij de Rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1. Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het Bro heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro).

Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling heeft de initiatiefnemer met de gemeente afspraken gemaakt omtrent de kosten voor de begeleiding voor het afwijken van het bestemmingsplan alsmede om de daarbij behorende procedures te verzekeren. De verantwoordelijkheid en het risico van de exploitatie ligt volledig bij de initiatiefnemer.

Het vaststellen van een exploitatieplan is gezien het voorgaande niet noodzakelijk en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

Regelgeving en beleid

Op grond van de Wro en Bro moet bij nieuwe ontwikkelingen tegelijk met een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken een exploitatieplan worden vastgesteld. Een exploitatieplan hoeft niet te worden opgesteld als het kostenverhaal van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Dit is het geval wanneer de gemeente de grond in eigendom heeft of met grondeigenaren een overeenkomst heeft gesloten.

Het project wordt ontwikkeld door de particuliere initiatiefnemer. Voor het project zijn een tweetal aspecten inzake de economische haalbaarheid van belang:

  • kostenverhaal (totale investering van het project);
  • risico van planschade.

Kostenverhaal

De gronden waarop de (voorgenomen) ontwikkeling plaatsvindt is in eigendom van de initiatiefnemer.

De kosten voor de uitvoering van het project worden gedragen door de initiatiefnemer.

Aangezien de gronden waarop het project wordt gerealiseerd in eigendom zijn van de initiatiefnemer, zijn er naast de bouwkosten, geen andere kosten dan eventuele (mogelijke) planschade en legeskosten, waarvoor een planschade overeenkomst wordt afgesloten en respectievelijk leges worden geheven.

Het bepalen van een fasering en het stellen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.

Op basis van deze overwegingen wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht. De exploitatiekosten zijn anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de exploitatiewet is niet noodzakelijk. Het aspect uitvoerbaarheid is daarmee voldoende verzekerd.

Planschade

In artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald, dat indien een belanghebbende ten gevolge van een omgevingsvergunning voor het bouwen schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel tot zijn last behoort te blijven, de gemeente op aanvraag een schadevergoeding kan toekennen.

De eventuele afwenteling van de planschade kan tussen de gemeente en initiatiefnemer geregeld worden in een anterieure overeenkomst. De kosten die samenhangen met een tegemoetkoming in planschade, die mogelijkerwijs kan voortvloeien uit de realisering van voornoemd project, kunnen daardoor worden afgewenteld op de initiatiefnemer.

Overigens zal een verzoek om tegemoetkoming in planschade nauwelijks kans van slagen hebben, gezien de aard en omvang van de verandering en de daarmee gepaard gaande impact op de omgeving alsmede de drempel die van toepassing is ten aanzien van het aspect normaal maatschappelijk risico.

Conclusie

Op basis van bovenstaande overwegingen wordt de (voorgenomen) ontwikkeling economisch uitvoerbaar geacht.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo is de uitgebreide procedure van toepassing. Zie hiervoor verder paragraaf 6.1 onder kopje 'procedure'.

De ontwerp-omgevingsvergunning wordt, voor zover noodzakelijk, toegezonden aan een aantal vaste overleg- en adviespartners. Daarna wordt deze gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarin belanghebbenden de tijd hebben voor het indienen van een zienswijze. Na deze periode verleent het college van B&W, na overweging van de zienswijzen, de definitieve vergunning.

Er vindt geen inspraak voorafgaand aan de ter visie legging van de omgevingsvergunning plaats. De voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ondergeschikte herziening van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen., waarvoor volgens artikel 2.1 van de Inspraakverordening van de gemeente géén inspraak over hoeft plaats te vinden.

Hoofdstuk 7 Conclusie

Aanleiding

Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3° van de Wabo, waarmee de realisatie van een vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt.

Het gehele gebouw wordt voorzien van een moderne eigentijdse uitstraling met stedelijke allure en zal de nodige comfort bieden, zodat er sprake is van een aangenaam en gezond verblijf.

Afweging

Uit hetgeen in de hoofdstukken 2 t/m 4 van de ruimtelijk onderbouwing is beschreven en verantwoord, kan het volgende gesteld worden met betrekking tot de bouwplanontwikkeling.

De ontwikkeling vindt plaats binnen de gemeente Brunssum in een bestaande woonwijk. De te realiseren woning betreft een invulling van een gat in de woonstraat waar in het verleden een bedrijf was gevestigd. De realisatie van de vrijstaande woning op de planlocatie draagt bij aan een gewenste stedenbouwkundige invulling en de behoefte aan wonen (woningaanbod) en is vanuit planologisch oogpunt verantwoord.

De inpassing van de woning met bijbehorende bouwwerken binnen het stedelijk weefsel van Brunssum in zijn algemeenheid en op de planlocatie specifiek is vanuit stedenbouwkundig oogpunt (stedenbouwkundig beeld en ruimtelijke kwaliteit) verantwoord.

Verder is het project in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel rijks, provinciaal als gemeentelijk niveau en veroorzaakt het geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving en relevante omgevingsaspecten.

Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening, aangezien een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd op basis van toetsing en verantwoording van de relevante omgevingsfactoren ter plaatse. Er is bovendien geen sprake van een onevenredige inbreuk op het woon- en leefgenot van de direct omwonenden.

Eindconclusie

Met het verlenen van een omgevingsvergunning (afwijken bestemmingsplan) voor de bouw van een woning op de project locatie Merkelbeekerstraat 45 is sprake van een ruimtelijke inpassing in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.